Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52008AE0260

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement — Het Europees ruimtebeleid COM(2007) 212 final

PB C 162 van 25.6.2008, p. 24–30 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

25.6.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 162/24


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement — Het Europees ruimtebeleid

COM(2007) 212 final

(2008/C 162/03)

De Commissie heeft op 26 april 2007 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag te raadplegen over de

Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement — Het Europees ruimtebeleid

De afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 31 januari 2008 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Van Iersel.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 13 en 14 februari 2008 gehouden 442e zitting (vergadering van 13 februari) onderstaand advies uitgebracht, dat met 145 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 4 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het EESC is om strategische redenen van politieke en economische aard uitdrukkelijk voorstander van onafhankelijke Europese toegang tot de ruimte. Daarom steunt het de beleidsmaatregelen die in documenten van de Gezamenlijke Ruimteraad, de Commissie en het ESA (1) van april en mei 2007 zijn uiteengezet.

1.2

Met een Europees ruimtevaartbeleid moeten vreedzame doelstellingen worden nagestreefd, waaronder de waarborging van de collectieve veiligheid.

1.3

Het EESC is van mening dat Europese ruimtevaartactiviteiten — of zij nu in nationaal, EU- of ESA-verband worden uitgevoerd — zichtbare voordelen zullen opleveren op verschillende terreinen, zoals wetenschappelijk onderzoek, de gewenste levering van infrastructuur en gegevens, en een breed gamma van economische toepassingen als uitvloeisel van de integratie van terrestrische en ruimtesystemen.

1.4

Tot dusverre is het ESA-concept succesvol geweest. Door de koppeling van dat concept met de activiteiten van de Commissie moet en zal er nog meer potentieel ontstaan. Daartoe moeten er procedures worden uitgewerkt voor de samenwerking tussen de Commissie en het ESA, alsook voor de verdeling van hun respectieve bevoegdheden, en moet er een verdeelsleutel voor de kosten worden vastgesteld.

1.5

Ontwikkelingen elders in de wereld — VS, Rusland, Japan, China, India en andere ruimtevaartlanden — dwingen Europa ertoe om als concurrent en partner in de ruimte in actie te komen. Het is daarom zaak om op korte termijn concrete programma's uit te werken via een besluitvormingsproces dat gelijke tred houdt met de besluitvorming door de andere spelers op het wereldtoneel.

1.6

Een sneller en op overleg gebaseerd besluitvormingsproces zou overigens leiden tot nog betere kansen om taken te definiëren en vervolgens uit te voeren, in lijn met de behoeften van de gebruikers.

1.7

GALILEO en GMES zijn Europese paradepaardjes. De GALILEO-programma's zouden onverwijld ten uitvoer moeten worden gelegd.

1.8

De opname van ruimtevaart in het zevende kaderprogramma en in het beleid van de Gemeenschap moet resulteren in een geïntegreerde benadering door alle betrokken DG's. Een dergelijke bredere basis om binnen de Commissie strategisch over deze materie na te denken, zal nationale overheden ertoe aanzetten om ruimtevaart geïntegreerd te benaderen, wat nu dikwijls nog niet het geval is. Het is wenselijk dat er hierbij in onderlinge overeenstemming te werk wordt gegaan

1.9

Alle lidstaten, ook de kleine en de nieuwe lidstaten, moeten van het Europese ruimtevaartbeleid profiteren. Daartoe dienen er ten behoeve van zowel de toeleverende sector als de afnemers voldoende kansen te worden geschapen voor wetenschappelijke vaardigheden en hoogwaardige industriële capaciteiten overal in Europa.

1.10

In het industriebeleid van het ESA (2) krijgt ieder land op grond van het beginsel van „evenredige compensatie” (fair return) via een systeem van inschrijving en concessies zijn eigen investering terug. De betrekkingen tussen regeringen, ESA, particuliere bedrijven en onderzoeksinstituten vormen dan ook een afspiegeling van diepgewortelde patronen.

1.11

Tot dusverre is het beginsel van „evenredige compensatie” met goed gevolg toegepast op de ontwikkeling van Europese ruimtevaartcapaciteiten. Naarmate de ruimtevaartmarkt verder tot wasdom komt, zal er echter meer flexibiliteit nodig worden, omdat vast verankerde betrekkingen over het algemeen niet bevorderlijk zijn voor industriële innovatie. Vooral van kleine en middelgrote ondernemingen wordt verwacht dat zij — vanwege de nadruk op „market pull”, gebruikersbehoeften en ontwikkeling van diensten — adequaat op de nieuwe vereisten en mogelijkheden van het Europese ruimtevaartbeleid zullen reageren.

1.12

Daar staat tegenover dat plotse veranderingen in vastliggende procedures en verhoudingen averechts kunnen uitpakken, ook al omdat de nationale bijdragen aan het ESA sterk uiteenlopen.

1.13

Daarom pleit het EESC ervoor om op open en transparante wijze te analyseren en te bespreken wat er in de komende tien jaar moet worden bereikt, en welke doelstellingen en bijbehorende institutionele instrumenten — m.b.t. ESA, Commissie en lidstaten — nodig zijn om een gezamenlijke, onderling afgesproken Europese taak te volbrengen. Onder meer zou moeten worden besproken hoe het ESA moet worden gefinancierd, welke dynamische bijdrage middelgrote ondernemingen kunnen leveren en hoe Europa zo concurrerend mogelijk kan blijven.

1.14

Cruciaal in dit verband is dat de Commissie verantwoordelijk is voor toepassingen en de bevordering van gebruikersbehoeften. Het EESC rekent erop dat de Commissie instaat voor open discussies en deelname van de particuliere sector, met name het MKB.

1.15

Het EESC is het met de Raad eens dat ruimtevaarttechnologie belangrijk is voor het defensie- en veiligheidsbeleid. Er moet worden toegewerkt naar systemen die Europese landen samenbrengen.

1.16

De grenzen tussen civiele en militaire toepassingen vervagen. Daarom moet optimaal gebruik worden gemaakt van zogenoemde „dual use” - effecten.

1.17

Tot slot is communicatie van kapitaal belang. Het EESC vindt dat de voordelen van ruimtevaarttechnologietoepassingen in het dagelijks leven beter in de schijnwerpers moeten worden gezet.

1.18

Doelgerichte communicatie over het Europees ruimtevaartbeleid zou moeten stimuleren dat jongeren in deze sector geïnteresseerd raken en zou het — meer in het algemeen — voor jongeren aantrekkelijker moeten maken om voor een bètastudie te kiezen.

2.   Een nieuwe benadering van een Europees ruimtevaartbeleid

2.1

De Europese instellingen en nationale taskforces hebben de laatste tien jaar steeds vaker gediscussieerd over nieuwe opties voor een Europees ruimtevaartbeleid.

2.2

In april 2007 heeft de Commissie in nauwe samenwerking met het ESA (3) een Mededeling over ruimtevaartbeleid uitgebracht (4). Deze gaat vergezeld van een effectbeoordeling en een uitgebreid programma van door het ESA, de Commissie en de lidstaten voorgenomen maatregelen.

2.3

Op 22 mei 2007 heeft de Ruimteraad (5) een Resolutie over het Europese ruimtevaartbeleid aangenomen die is gebaseerd op de mededeling van de Commissie.

2.4

De toegenomen belangstelling die uit bovengenoemde documenten blijkt, wordt gestimuleerd door allerlei mondiale ontwikkelingen en Europese strategische doelstellingen:

de mogelijkheden van het gebruik van ruimtevaartgerelateerde diensten voor uiteenlopende vraagstukken en als instrument op een groot aantal verschillende Europese beleidsterreinen, zoals milieu, veiligheid, vervoer, onderzoek, ontwikkelingshulp, cohesie en onderwijs, allemaal naast het onderzoek;

de blijvende noodzaak van onafhankelijke Europese toegang tot de ruimte als voorwaarde voor een Europees ruimtevaartbeleid;

het groeiende aantal (opkomende) mondiale spelers op dit terrein en de noodzaak voor Europa om hierop een volwaardige rol te spelen als partner èn als concurrent;

ruimtevaart als bron van innovatie, industrieel concurrentievermogen en economische groei;

versterking van de wetenschappelijke infrastructuur; kennissamenleving en Lissabondoelstellingen;

de noodzakelijke koppeling tussen Europees onderzoek en toepassingen;

de bijdrage van ruimtevaarttechnologie tot terrestrische technologieën en toepassingen, en de wijze waarop ruimtevaarttechnologie deze kan aanvullen;

het belang van de ruimtevaart voor de Europese defensie en veiligheid;

de vervagende grenzen tussen civiele en militaire ruimtevaarttechnologietoepassingen;

het besef dat de lidstaten los van elkaar niet kunnen voldoen aan de vereisten om een geloofwaardig ruimtevaartbeleid te kunnen voeren, en derhalve

de noodzaak om de taken en mandaten van de Europese instellingen en organisaties op ruimtevaartgebied duidelijk te omschrijven.

2.5

In 2003 en in 2004 heeft de Commissie achtereenvolgens een Groenboek en een Witboek over ruimtevaartbeleid gepresenteerd. In beide documenten worden de contouren van een toekomstig ruimtevaartbeleid duidelijk. Zij bevatten vele — soms vergaande — elementen, die in bovengenoemde Mededeling verder zijn uitgewerkt.

2.6

In de Resolutie van de Ruimteraad van 22 mei wordt bevestigd dat de ruimtevaartsector een strategische troef is die bijdraagt tot de onafhankelijkheid, veiligheid en voorspoed van Europa en zijn rol in de wereld. Intensivering van de Europese samenwerking bij de levering van ruimtegerelateerde diensten aan de burgers is cruciaal. De Raad legde een verband tussen ruimtevaartbeleid en de Lissabonstrategie en onderstreepte het belang ervan voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.

2.7

Volgens de Resolutie van de Raad wordt beoogd een Europese onderzoeksruimte tot stand te brengen en zal de samenwerking tussen het ESA en de Commissie tot meer efficiency, meer financiële middelen voor Europese programma's en meer samenhang tussen technologie en toegepaste technologie leiden. De relatie tussen het ESA en de Commissie zal door de op basis van ervaring vergaarde kennis evolueren. De kwestie van de cofinanciering van reeds bestaande basisinfrastructuur (Kourou, Darmstadt) staat echter nog open.

2.8

Een centraal thema is de samenwerking en taakverdeling tussen ESA en Commissie. Het ESA is toonaangevend in onderzoek en technologie, terwijl de Commissie verantwoordelijk wordt voor toepassingen die samenhangen met haar eigen beleid op terreinen als vervoer, milieu, veiligheid en betrekkingen met derde landen, en voor het in kaart brengen van de behoeften aan betere dienstverlening van niet-overheidsgebruikers.

2.9

Kostenefficiëntie in overheidsprogramma's zal het concurrentievermogen van particuliere ondernemingen in industrie en handel ten goede komen. Van bijzonder belang zijn middelgrote en kleine bedrijven en de toeleveringsindustrie. Tegelijkertijd erkent de Raad het industriebeleid van het ESA, met name zijn beginsel van „evenredige compensatie” als middel om tot investering aan te zetten en het Europese concurrentievermogen op te voeren.

2.10

Met de Resolutie van afgelopen mei is ontegenzeglijk een nieuwe fase ingeluid, die door de toonaangevende spelers met geestdrift is ontvangen (6).

3.   Algemene opmerkingen

3.1

De ruimtevaartwereld verandert snel. In het voorbije decennium heeft het EESC positief gereageerd op het Groenboek en het Witboek van de Commissie over ruimtevaartbeleid (7). Ook de nieuwe stappen die Raad, Commissie en ESA afgelopen mei hebben gezet, worden door het EESC sterk toegejuicht. Symbolisch genoeg valt deze doorbraak in het ruimtevaartbeleid samen met het begin van de 21e eeuw. Zo luidt de nieuwe eeuw ook een nieuw tijdperk in.

3.2

Wereldwijde ontwikkelingen in de ruimte krijgen een steeds grotere strategische en technologische impact.

3.2.1

Buiten kijf staat dat het ruimtevaartbeleid een steeds belangrijkere, zo niet onmisbare bijdrage levert tot de verwezenlijking van terrestrische doelstellingen. Met andere woorden: ruimtevaarttoepassingen zijn van vitaal belang voor de verwezenlijking van economische en maatschappelijke doelstellingen in een integrerend Europa.

3.2.2

Wat wetenschap en onderzoek betreft, is er op het vlak van sterrenkunde en planeetonderzoek duidelijk vooruitgang geboekt. Het ESA profiteert van de bestaande netwerken. Het voegt daar gerichte programma's en peer reviews aan toe. In tegenstelling tot de wetenschap is militair onderzoek nog steeds op nationale leest geschoeid.

3.2.3

Strategisch gezien moet Europa ervoor zorgen dat het onafhankelijk kan blijven opereren van de VS en Rusland en in toenemende mate ook van China en India en andere ruimtevaartlanden, die allemaal in de ruimte tegelijkertijd partners èn concurrent zijn. Meer algemeen gesproken zou Europa's positie in de wereld altijd als uitgangspunt moeten dienen voor ruimtevaartbeleid.

3.3

De Resolutie van de Ruimteraad van 22 mei 2007 en de begeleidende documenten zoals de Commissiemededeling van 2007, de bijbehorende effectbeoordeling, de verklaring van de directeur-generaal van het ESA en de „voorlopige elementen” van een gemeenschappelijk Europees programma van ESA, Commissie en lidstaten vormen een belangrijke stap in de goede richting, omdat:

de internemarktregels nooit op het ruimtevaartbeleid zijn toegepast, als gevolg van nationale strategische concepten, programma's en militaire vereisten;

nationale belangen, financiële toezeggingen, technologische doelstellingen en bedrijfsprestaties aanzienlijk uiteenliepen, en

de industriële structuren derhalve meestal per land gescheiden zijn.

3.4

Met de kaderovereenkomst tussen het ESA en de EG van 2003 (8) is de grondslag gelegd voor convergerende planning en acties in EU- en ESA-verband. Nu komt de Raad met een totaalaanpak die ten doel heeft om losse (nationale, intergouvernementele of Europese) projecten beter op elkaar af te stemmen en efficiënter te maken.

3.5

Het EESC wijst op zijns inziens belangrijke ontwikkelingen zoals de groeiende consensus tussen lidstaten en hun gemeenschappelijke visie; het steeds hechter worden van de samenwerking tussen Commissie en ESA en de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen beide organen, waarmee de basis wordt gelegd voor meer financiering door de EU; het ontstaan van een beter evenwicht tussen O&O en toepassingen, en bovenal het uitdrukkelijke voornemen om de gebruikersbehoeften voorop te stellen; publiek-private partnerschappen; en de prioritaire positie (als „paradepaardjes”) die GALILEO en GMES (9) binnen een Europees ruimtevaartbeleid innemen.

3.6

Er zij echter opgemerkt dat de voorgenomen stappen onderdeel zijn van een langdurig proces dat zeker nog niet in zijn eindfase is. Concrete projecten en financieringsstromen moeten nog worden ingevuld.

3.7

In 2005 bedroeg het totale budget voor ruimtevaartactiviteiten van ESA, EUMETSAT en de lidstaten € 4,8 miljard (exclusief EG-subsidiëring) (10). De EG zal in de periode 2007-2013 via het zevende kaderprogramma voor een gegarandeerd bedrag van ruim € 1,4 miljard aan ruimtetoepassingen en -activiteiten uittrekken. Wereldwijd beliep het ruimtevaartbudget € 50 miljard. De VS geven er ca. € 40 miljard aan uit, waarvan ruim de helft voor militaire doeleinden. Aan de Amerikaanse uitgaven ligt bovendien een „all-American”-concept ten grondslag dat gevolgen heeft voor de samenwerking tussen de verschillende instellingen en bedrijven (11). Wat vooral telt, is dat de VS een gesloten markt vormen die groot genoeg is om de Amerikaanse ruimtevaartindustrie te schragen zonder dat het nodig is om succesvol te kunnen concurreren op de commerciële wereldmarkt.

3.8

De Europese ruimtevaartactiviteiten vormen een mix van Europese (intergouvernementele of communautaire) en nationale programma's. Het ESA doet meer dan alleen maar het coördineren van projecten en is tot op heden uitermate succesvol gebleken; het is een O&O-agentschap dat grote succesvolle infrastructuurprojecten op Europees niveau ontwikkelt. Tot de belangrijke ruimtevaartactoren van het ESA behoren Arianespace, EUMETSAT en Eutelsat. Naast deze programma's hebben sommige lidstaten hun eigen programma's, gebaseerd op nationale politieke en technologische tradities en doelstellingen en bijgevolg op nationale capaciteiten, netwerken en toepassingen. Het Europese patroon bestaat uit een ingewikkeld systeem van gemeenschappelijke en nationale programma's.

3.9

Waarschijnlijk zullen er nieuwe landen tot het ESA toetreden, waarmee het aantal ESA-lidstaten van 17 op 22 zou komen. (12) Er zou voordeel moeten worden geput uit de bestaande wetenschappelijke know how en de mogelijke versterking van economische clusters.

3.10

Het is heel goed mogelijk dat nationale en ESA-programma's elkaar overlappen. Defensieprojecten dragen nog steeds vooral een nationaal stempel. Dit kan ook inefficiënt zijn, omdat de grenzen tussen technologieën voor militaire en voor civiele doeleinden vervagen. De nieuwe totaalaanpak kan de convergentie ten goede komen.

3.11

De uitgetrokken middelen zijn voor infrastructuur en gegevensverzameling. Hoe beter de betrekkingen met ondernemingen en marktkrachten zijn georganiseerd, hoe groter de multiplier-effecten via toepassingen en diensten. Ter illustratie zij in dit verband gewezen op het EUMETSAT-model (EUMETSAT is de organisatie die weersatellieten exploiteert), dat voor andere sectoren zeer goed als voorbeeld kan dienen.

3.12

Aangezien de financiële middelen niet onbeperkt zijn, doet Europa er verstandig aan om prioriteiten te stellen en zoveel mogelijk internationaal samen te werken. Internationale samenwerking heeft een grote meerwaarde met soms indrukwekkende multiplier-effecten. Europa kan echter pas als gelijkwaardige partner in projecten met niet-EU-landen stappen als zijn capaciteiten, naast de prioriteiten, tegemoetkomen aan de nodige basisvereisten. Het is wenselijk dat in goed overleg wordt afgesproken wat deze vereisten zijn en dat er vervolgens voldoende in wordt geïnvesteerd.

3.13

In een onlangs uitgebracht advies betuigt het EESC zijn volledige steun aan GALILEO, een Europees project voor wereldwijde navigatie (13). Met GALILEO zal worden gezorgd voor accuratere wereldwijde positie- en tijdsbepalingsgegevens voor civiele toepassingen op uiteenlopende terreinen. Het is vergelijkbaar met het bestaande Amerikaanse GPS, maar dan nog uitgebreider.

3.13.1

Met GALILEO zal Europa zich definitief kunnen profileren als een onafhankelijke speler in de ruimte.

3.13.2

Er was voor de upstream sector geen bevredigende business case. Het EESC is ingenomen met het besluit van de Raad om GALILEO te financieren en met de programma's die zijn vastgesteld. Deze zouden onverwijld ten uitvoer moeten worden gelegd teneinde gunstige voorwaarden te scheppen voor de downstream sector (14).

3.13.3

Nog afgezien van de obstakels voor een levensvatbaar publiek-privaat samenwerkingsverband, waaraan doorgaans sowieso veel haken en ogen zitten, staan er nog een aantal andere kwesties open die dringend moeten worden opgelost om particuliere partners doeltreffend bij de plannen te kunnen betrekken.

3.14

Het GMES-programma zal naast de bestaande diensten zorgen voor een steeds onmisbaardere samenhangende reeks diensten die op aardobservatie zijn gebaseerd. Het „zal Europa's monitoring- en beoordelingspotentieel op het gebied van milieubeleid verbeteren en bijdragen aan de veiligheid” (15). Uit de snelheid waarmee de mondiale ontwikkelingen elkaar opvolgen, blijkt hoezeer nieuwe instrumenten wenselijk zijn om de nieuwe uitdagingen op het gebied van milieu, klimaatverandering, gezondheid en individuele en collectieve veiligheid te kunnen aangaan.

3.14.1

Deze uitdagingen liggen op zeer uiteenlopende terreinen: natuurrampen en crises, klimaatverandering als gevolg van de uitstoot van gassen en luchtverontreiniging, civiele bescherming, grenscontroles, enz.

3.14.2

De toepassingen op deze gebieden zijn onder impuls van gebruikers (beleidsmakers, overheidsdiensten, bedrijven en burgers) tot stand gekomen. Hieruit blijkt dat er steeds meer behoefte is aan coördinatie tussen ESA, Commissie en lidstaten en dat de Commissie er goed aan zou doen om de behoeften in kaart te brengen.

3.14.3

Ook kunnen GMES-diensten de ontwikkeling en uitvoering van EU-beleid op diverse gebieden ten goede komen. Gezien de verwachte meerwaarde van GMES moeten er in het begrotingsbeleid voor 2009 operationele middelen worden uitgetrokken voor diensten en ruimtetoepassingen ter ondersteuning van het EU-beleid.

3.14.4

Wat de GMES-infrastructuur betreft zij er tevens op gewezen dat het de verantwoordelijkheid van de overheid is om gegevens op betrouwbare en duurzame wijze te verzamelen. Vervolgens dient te worden vastgesteld onder welke voorwaarden particuliere ondernemingen kunnen participeren.

3.15

Uit GALILEO, GMES en de overige programma's blijkt dat het ruimtevaartbeleid operationeel aan het worden is en huidige technologieprestaties en -toepassingen begint te ondersteunen. Dit draagt bij tot het gebruik van nieuwe methoden om maatschappelijke vraagstukken te analyseren, te ondervangen en op te lossen.

3.16

Belangrijk is dat alle lidstaten, dus ook de kleine en de nieuwe lidstaten, van het Europese ruimtevaartbeleid profiteren. Het is in het gemeenschappelijk belang van de EU als zodanig dat alle lidstaten zich engageren.

3.17

De nieuwe lidstaten zullen zeker hun voordeel kunnen doen met toepassingen. Daarnaast dienen zij kansen te krijgen om hun eigen wetenschappelijke expertise en hun hoogwaardige industriële capaciteiten in te brengen teneinde hun potentieel te versterken.

4.   Governance

4.1

De Ruimteraad is in november 2004 voor het eerst bijeengekomen om Europese convergentie en programma's met een Europese grondslag te bespreken en te promoten. Het EESC hoopt en rekent erop dat de door die Raad in mei 2007 aangegeven richtsnoeren het gewenste klimaat scheppen voor de totstandbrenging van een ruimtevaartbeleid dat in lijn is met de Europese ambities.

4.2

Betere institutionele bepalingen zijn steevast noodzakelijk om vooruitgang te kunnen boeken. In dit verband is het EESC ingenomen met de toenemende betrokkenheid van Raad en Commissie bij ruimtevaartaangelegenheden en met de geplande, goed omschreven samenwerking en taakverdeling tussen ESA en Commissie.

4.3

De Ruimteraad schept het gewenste platform voor discussie over intergouvernementele en communautaire benaderingen, die efficiënt aan elkaar zullen moeten worden gekoppeld.

4.4

Dat ruimtevaart in het beleid van de Gemeenschap en in het zevende kaderprogramma (waar er een speciaal hoofdstuk aan is gewijd) is opgenomen, moet door de voorgenomen inzet van alle betrokken DG's zichtbaar worden gemaakt. Met deze geïntegreerde inzet zal er ook een bredere basis ontstaan om strategisch over deze materie na te denken. In dit verband zal het zeker van pas komen dat er in het nieuwe Verdrag een specifieke EU-bevoegdheid voor ruimtevaartzaken is opgenomen.

4.5

Speciale aandacht dient uit te gaan naar de kwestie van de rechtsorde, die vaak over het hoofd wordt gezien. In politieke entiteiten die uit slechts één land bestaan, zoals de VS, vormt de bestaande rechtsorde een natuurlijk kader voor concrete activiteiten en bijbehorende regelgeving. In de ingewikkelde Europese context daarentegen, met spelers als het ESA, de Commissie en de soevereine lidstaten, is van een goed gestructureerde rechtsorde geen sprake, wat een averechts effect sorteert. Aangezien ruimtegerelateerde activiteiten in de EU zich uitbreiden, is er absoluut behoefte aan een wettelijk en institutioneel kader waarin coherentie en logica hoog in het vaandel staan.

4.6

De verantwoordelijkheid van de Commissie voor toepassingen en de betrokkenheid van diverse DG's zal de discussie en samenwerking met de particuliere sector positief beïnvloeden. Een en ander zal nieuwe wegen openen voor projecten waartoe de aanzet door de gebruikers is gegeven.

4.7

Een vermeldenswaardig specifiek aspect is de bepaling in het nieuwe Verdrag dat de Hoge Vertegenwoordiger voor buitenlands beleid in de Raad tegelijkertijd vicevoorzitter van de Commissie zal zijn.

4.8

Een van de belangrijkste beweegredenen voor een Europees ruimtevaartbeleid is dat strategisch denken van de kant van de Commissie nationale overheden ertoe zal aanzetten om ruimtevaart geïntegreerd te gaan benaderen, wat nu dikwijls nog niet het geval is. De betrokkenheid van DG's van de Commissie zal ook tot gevolg hebben dat netwerken van (potentiële) gebruikers een rol gaan spelen in de nationale bestuursorganen.

4.9

Om dezelfde reden is het een uitstekende zaak dat er binnen DG Ondernemingen een GMES-bureau is opgericht dat met de coördinatie is belast.

4.10

Door de betrokkenheid van de Commissie krijgt het ruimtevaartbeleid een plaats tussen de andere communautaire beleidsterreinen. Dit zal de burgers helpen een beter beeld te krijgen van de voordelen van ruimtevaarttechnologie.

4.11

De ruimtevaartwereld is nog te veel een vreemde eend in de bijt die niet goed voor het voetlicht wordt gebracht. Commissie en Raad moeten daarom een efficiënt communicatiebeleid voeren waarin de maatschappelijke impact van ruimtevaarttechnologie wordt benadrukt. Doelgerichte communicatie zou ook moet inhouden dat jongeren prikkels krijgen om zich voor ruimtevaart te interesseren en meer in het algemeen om voor een bètastudie te kiezen.

4.12

Het EESC benadrukt het grote belang van een stelselmatige en over de gehele linie transparante evaluatie en van een correcte implementatie. Gezien de complexe verhouding tussen onderzoekscentra, overheidsinstanties van de EU en de lidstaten, en het particuliere bedrijfsleven, in combinatie met de ingewikkelde financiële en organisatorische afspraken, is monitoring onontbeerlijk. Bij dynamische interactie zal efficiënte monitoring tot transparantie en mogelijk tot vereenvoudiging en nieuwe inzichten en projecten en de financiering daarvan leiden.

5.   Evenredige compensatie en de particuliere sector

5.1

Strategische concepten en programma's in de lidstaten, specifieke nationale relaties met particuliere ondernemingen, intergouvernementele samenwerking in de EU en daarbuiten, en het op technologische leest geschoeide ESA als een intergouvernementeel agentschap zijn allemaal samen een verklaring voor het beginsel van „evenredige compensatie” (fair return): via een ingewikkeld systeem van inschrijving en concessies krijgt ieder land in de vorm van contracten voor zijn bedrijfsleven terug wat het in ESA-activiteiten heeft geïnvesteerd. Onder de huidige omstandigheden is het industriebeleid van het ESA succesvol.

5.2

De betrekkingen tussen regeringen, onderzoeksinstituten, het ESA en particuliere bedrijven vormen dan ook een afspiegeling van diepgewortelde patronen, ook al omdat de ruimtevaartsector een enge en in hoge mate gespecialiseerde markt vormt.

5.3

Er moet rekening worden gehouden met toonaangevende ontwikkelingen:

de noodzaak om de positie van Europa in de wereld te versterken,

het gebruik van het heelal voor civiele behoeften en vreedzame doelstellingen, o.a. collectieve veiligheid,

de politieke en financiële participatie van EU en Commissie op veel uiteenlopende terreinen,

de grotere nadruk op toepassingen en gebruikersbehoeften, de omschakeling van „technology push” naar „market pull”,

de veranderende rol van particuliere ondernemingen.

5.4

De Raad is in het geval van het ESA voorstander van handhaving van het beginsel van evenredige compensatie. Wat dit betreft lopen de belangen van de ESA-lidstaten niet in alle opzichten synchroon. Er zijn overigens al veranderingen opgetreden doordat het beginsel van evenredige compensatie inmiddels al soepeler wordt toegepast dan voorheen gebruikelijk was, waardoor het geleidelijk aan eigentijdser wordt. Een voldoende flexibele toepassing van dit beginsel is volgens het EESC vooral belangrijk, omdat vergaand gespecialiseerde en (nog) vooral in eigen land werkzame middelgrote ondernemingen daar dan op adequate wijze bij worden betrokken.

5.5

Bij deelname van en financiering door de Commissie gelden vooralsnog de EU-voorschriften, d.w.z. de regels inzake het mededingingsbeleid en overheidsopdrachten. Het EESC pleit ervoor dat de Commissie geschikte instrumenten en financieringsregelingen voor ruimtevaartmaatregelen in EU-verband uitwerkt, die zijn afgestemd op de bijzondere kenmerken van de ruimtevaartsector en de weg vrijmaken voor een evenwichtige structuur van de ruimtevaartindustrie van de lidstaten.

5.6

Een belangrijk aandachtpunt is de rol van het MKB bij de ontwikkeling van diensten. Er moet onderscheid worden gemaakt tussen grote, vaak internationaal opererende bedrijven en een groot aantal gespecialiseerde middelgrote ondernemingen die vooral op nationaal niveau actief zijn en op zoek zijn naar kansen in de Europese ruimtevaartsector. Consortia van ondernemingen uit het MKB die zich met ruimtevaart bezighouden, hebben steun nodig.

5.6.1

Hoe dan ook spelen gespecialiseerde middelgrote ondernemingen een steeds grotere rol (16). Deze trend zal in deze sector waarschijnlijk nog worden versterkt doordat de nadruk op „market pull” en gebruikersbehoeften komt te liggen en kleinere bedrijven op dynamische wijze bij de ontwikkeling van diensten worden betrokken. Het wordt steeds gebruikelijker dat er bij operationele planning en projecten met middelgrote ondernemingen wordt samengewerkt.

5.6.2

Tot dusverre stond het ruimtevaartbeleid grotendeels los van andere onderdelen van de economie. De accentverschuiving, de horizontale benadering en de samenwerking tussen ESA en Commissie zullen bijdragen tot een koppeling tussen technologie, overheidsinvesteringen en particuliere ondernemingen. De ervaring die met EUMETSAT bij de ontwikkeling van operationele diensten is opgedaan, kan voor het GMES-programma van praktische waarde zijn.

5.6.3

Wat satellieten betreft kunnen bedrijfsplanning, marketing en afzet tot de invoering van vruchtbare praktijken leiden. Netwerken met middelgrote ondernemingen zullen worden geïntensiveerd.

5.7

Terrestrische en ruimtesystemen zouden moeten worden geïntegreerd, zoals voor het GMES-systeem is gepland. Intelligente sensorennetwerken kunnen verder worden ontwikkeld.

5.8

Betrokkenheid van het bedrijfsleven vereist dat de EU nauwkeurig omschrijft waaraan behoefte is. Gezien de grotere nadruk op diensten en gebruikersbehoeften (naast onderzoek, gegevensverzameling en infrastructuur) is het zaak dat er overal in Europa een voortdurende afstemming plaatsvindt tussen wetenschap en toepassingen (17).

5.9

Zoals echter al is opgemerkt, vereisen toepassingen dat de technologische ontwikkeling wordt geschraagd. Het ESTP (18), dat de betrokkenen uit wetenschap en bedrijfsleven samenbrengt, is, naast andere, een veelbelovend platform om in kaart te brengen welke technologie gewenst is. Naar verwachting zal het de strategische onderzoeksagenda voor de lange termijn vaststellen. Het ESTP kan ook banden scheppen met andere industrietakken en -gebieden.

5.10

Tot dusverre is het beginsel van „evenredige compensatie” met goed gevolg toegepast op de ontwikkeling van Europese ruimtevaartcapaciteiten. Naarmate de ruimtevaartmarkt verder tot wasdom komt, zal er echter meer flexibiliteit nodig worden, omdat vast verankerde betrekkingen over het algemeen niet bevorderlijk zijn voor industriële innovatie. Vooral van kleine en middelgrote ondernemingen wordt verwacht dat zij — vanwege de nadruk op „market pull”, gebruikersbehoeften en ontwikkeling van diensten — adequaat op de nieuwe vereisten en mogelijkheden van het Europese ruimtevaartbeleid zullen reageren.

5.10.1

In dit verband moet tevens in aanmerking worden genomen dat de nationale bijdragen aan het ESA, met name die van de nieuwe lidstaten en de kleine landen en die van de ESA-landen die niet tot de EU behoren, sterk uiteenlopen.

5.11

Daarom pleit het EESC ervoor om op open en transparante wijze te analyseren en te bespreken wat Europa in de komende tien jaar zou moeten bereiken om zijn positie in de wereld te handhaven en te verbeteren, welke doelstellingen en bijbehorende institutionele instrumenten — m.b.t. ESA, Commissie en lidstaten — nodig zijn om een gemeenschappelijke, onderling afgesproken Europese missie te volbrengen, hoe middelgrote ondernemingen hieraan een dynamische bijdrage kunnen leveren en hoe Europa zo concurrerend mogelijk kan blijven.

5.12

In deze analyse en dialoog zou ook aan de orde moeten komen hoe het ESA wordt gefinancierd en vooral welke impact de facultatieve bijdragen hebben, hoe de procedures eruit moeten gaan zien en hoe moet worden vormgegeven aan een voortschrijdende integratie van de benutting van ruimtevaartdiensten in de interne markt van de EU. Voor de werkterreinen die onder de bevoegdheid van de DG's van de Commissie gaan vallen, moeten speciale financieringsregelingen met bijbehorende verdeelsleutel voor de kosten worden uitgewerkt.

5.13

Een modern, sectorgebonden industriebeleid zoals de Commissie voor verscheidene bedrijfstakken heeft ontwikkeld, kan eveneens helpen, mits rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van de ruimtevaartsector, zoals de noodzaak van door de overheid gefinancierde technologieën en infrastructuur, de ontwikkeling van prototypes, de afwezigheid (in diverse onderdelen van de sector) van een echte markt en het actieve, ruimtevaartgerelateerde industriebeleid in de VS en elders dat door de overheid gevoerd en bekostigd wordt.

5.14

Waar de industrie dringend behoefte aan heeft, is dat de beleidsmakers in Europa allereerst concreet duidelijk maken waar zij met de ruimtevaart naartoe willen.

6.   Defensie en veiligheid

6.1

In de Resolutie van de Raad wordt benadrukt hoe belangrijk ruimtevaarttechnologie is voor het defensie- en veiligheidsbeleid. Er wordt steeds meer gediscussieerd over een gezamenlijke strategie inzake de militaire capaciteit van Europa.

6.2

Deze discussie vindt plaats tegen de achtergrond van het streven om vooruitgang te boeken met een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Tot tevredenheid van het EESC wint het standpunt geleidelijk terrein dat veiligheidsbeleid niet als een afzonderlijk beleid moet worden beschouwd, maar als een mix van maatregelen op verschillende terreinen van en binnen de Europese instellingen (19).

6.3

Verder mag niet worden vergeten dat de grenzen tussen civiele en militaire toepassingen vervagen. Daarom moet worden benadrukt dat de reeks vereisten in beide sectoren tot wederzijdse kansen kunnen leiden. Militaire systemen kunnen van civiele Europese taken profiteren via civiele en militaire toepassingen waarbij het mes aan twee kanten snijdt.

6.4

Ownership, governance en begrotingen op het gebied van veiligheid zijn momenteel een uitsluitend nationale aangelegenheid. Benaderingen die tot synergie tussen landen leiden, komen nauwelijks voor, hoewel sommige activiteiten in de defensiesector in Europees verband worden gecoördineerd. Voor de toekomst bestaan er verscheidene opties, van een „lichte” vorm van Europese samenwerking tot een volledig gemeenschappelijk Europees model.

6.5

Het EESC vindt dat er om veiligheids-, technologische en budgettaire redenen moet worden toegewerkt naar systemen die Europese landen samenbrengen.

6.6

Het nationale denken op veiligheidsgebied is diepgeworteld. Uitgaande van een gemeenschappelijke toekomstvisie, ook ten aanzien van wereldwijde ontwikkelingen waaraan niet valt te ontkomen, kunnen er echter concrete projecten worden gestart en kan op ervaring gebaseerde kennis de vooruitgang bevorderen.

6.7

Om onnodig dubbel werk te voorkomen zou er in deze planning ook plaats kunnen worden ingeruimd voor specialisatie en werkverdeling (20). Er zouden onderzoeksprogramma's kunnen worden opgezet om technische capaciteiten te helpen ontwikkelen.

6.8

In dit verband kan het EDA (21) als een van de actoren op dit gebied, ruimte worden gegeven om speciale bevoegdheden uit te bouwen. Zo zou het de bevoegdheid moeten krijgen om capaciteiten te bepalen, ontwikkelingprogramma's voor te stellen en voor coördinatie tussen het ESA en nationale defensie- en ruimteagentschappen te zorgen.

6.9

Het nieuwe Verdrag biedt uitzicht op verbreding van de initiatieven van Commissie en Raad om het onderzoek op veiligheidsgebied te stimuleren, waarbij mogelijke daaruit voortvloeiende overlappingen en herhalingen wel moeten worden voorkomen.

6.10

Besluiten van deze aard vereisen voorbereiding en vervolgens verbintenissen van de Ruimteraad en de Raad Algemene Zaken. Institutionele verbeteringen die met het nieuwe Verdrag worden doorgevoerd, zullen van pas komen.

Brussel, 13 februari 2008

De voorzitter van het

Europees Economisch en Sociaal Comité

D. DIMITRIADIS


(1)  Europees Ruimtevaartagentschap.

(2)  Het ESA voert een zelfstandig industriebeleid. Vorm en inhoud ervan mogen niet worden verward met het sectorgebonden industriebeleid van de Commissie.

(3)  Het Europees Ruimtevaartagentschap (ESA) is een volledig onafhankelijke organisatie, die thans 17 lidstaten telt. Niet alle ESA-lidstaten zijn lid van de EU en niet alle EU-lidstaten zijn aangesloten bij het ESA. Het ESA wordt door deze lidstaten gemeenschappelijk gefinancierd, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen een „verplicht programma” en „facultatieve programma's”.

(4)  COM(2007) 212 final

(5)  De Ruimteraad is het gezamenlijke orgaan waarin de EU-Raad Concurrentievermogen en de intergouvernementele Ruimteraad voor de besluitvorming inzake het ESA-beleid zijn samengesmolten.

(6)  Naar aanleiding van de Ruimteraad van 22 mei publiceerden zowel Europese Commissie als ESA een persbericht. De Commissie kopte „Space Council welcomes historic European Space Policy” en het ESA „Europe's Space Policy becomes a reality today”.

(7)  EESC-advies over de Mededeling van de Commissie „De Europese lucht- en ruimtevaartindustrie: strijd om het behoud van een plaats op de wereldmarkt” (rapporteur: dhr. Sepi), PB C 95 van 30 maart 1998, blz. 11.

EESC-advies over het Groenboek „Europees ruimtevaartbeleid” (rapporteur: dhr. Buffetaut), PB C 220 van 16 september 2003, blz. 19.

EESC-advies over het Witboek „Een actieplan voor de uitvoering van het Europese ruimtevaartbeleid” (rapporteur: dhr. Buffetaut), PB C 112 van 30 april 2004, blz. 9.

(8)  Met de kaderovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het ESA van oktober 2003 zijn de banden tussen het ESA en de Commissie aangehaald en is een werkmethode afgesproken.

(9)  Global Monitoring for Environment and Security (wereldwijde monitoring voor milieu en veiligheid).

(10)  ESA € 2 485 mln, EUMETSAT € 330 mln, lidstaten (Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje) € 1 190 mln (civiel) en € 790 mln (militair).

(11)  Daar staat tegenover dat de efficiency van een gemeenschappelijk Amerikaans concept en een centrale organisatie ook niet moet worden overdreven. De afzonderlijke staten en de bedrijven, ieder met hun vertegenwoordigers op Capitol Hill en hun eigen lobby's en netwerken, beïnvloeden het patroon van contracten en doelstellingen. Ook het NASA heeft te kampen met bureaucratie en met problemen vanwege zijn monopoliepositie.

(12)  waaronder de twee niet-EU-landen Zwitserland en Noorwegen.

(13)  EESC-advies over het Groenboek betreffende satellietnavigatietoepassingen (rapporteur: dhr. Buffetaut), CESE 989/2007 (nog niet gepubliceerd in het Publicatieblad). In dit advies worden o.m. een aantal aspecten besproken die volgens het EESC in het Groenboek aan de orde hadden moeten worden gesteld.

(14)  Een nieuwe ontwikkeling in dit verband is dat de Europese — downstream — industrie haar ideeën bundelt in 'Galileo Services (GS)' en in de European Association for Remote Sensing Companies (EARSC).

(15)  Mededeling over „Het Europees ruimtebeleid” (COM(2007) 212 final), blz. 6.

(16)  Zie in dit verband het EESC-advies over „Waarde- en aanbodketens in Europa en wereldwijd” (rapporteur: dhr. Van Iersel), CESE 599/2007.

(17)  „… we can no longer pursue the double monologue of industry inviting institutions to define their needs and institutions inviting industry to propose services meeting their needs.” Zie de brief van ASD-Eurospace van 20 juli 2007 aan Commissaris G. Verheugen en de heer J.J. Dordain van het ESA.

(18)  European Space Technology Platform, een gecombineerd platform van de voornaamste belanghebbenden, waaronder de deelnemende EU-landen, het ESA, de Europese ruimtevaartindustrie (meer dan honderd bedrijven) en Eurospace, onderzoekslaboratoria en universiteiten, nationale ruimtevaartagentschappen en 21 organisaties.

(19)  „Today, space policy for security is not a single policy, but a mix of policies pursued by the MS, the Space Council, the Commission and eventually EDA. This composite panorama requires a better coordination te rationalise the governance and avoid duplications.” Zie 'The Cost of Non Europe in the field of satellite based systems' FRS-IAI Report, Fondation pour la Recherche Stratégique, Parijs en Istituto Affari Internazionali, Rome, 24 mei 2007.

(20)  Een voorloper is de overeenkomst tussen zes landen over MUSIS (Multinational Space-based Imaging system for Surveillance, reconnaissance and observation).

(21)  Europees Defensieagentschap


Top
  翻译: