52003AE1173

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het "Groenboek — Ondernemerschap in Europa" (COM(2003) 27 def.)

Publicatieblad Nr. C 010 van 14/01/2004 blz. 0058 - 0069


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het "Groenboek - Ondernemerschap in Europa"

(COM(2003) 27 def.)

(2004/C 10/14)

De Commissie besloot op 21 januari 2003, overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag, het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het "Groenboek - Ondernemerschap in Europa".

De gespecialiseerde afdeling "Interne markt, productie en consumptie", die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 3 september 2003 goedgekeurd; rapporteur was de heer Butters.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 402e zitting op 24 en 25 september 2003 (vergadering van 24 september) het volgende advies uitgebracht, dat met 38 stemmen voor, 3 tegen, bij 2 onthoudingen werd goedgekeurd.

SAMENVATTING VAN HET ADVIES

In de inleiding worden reikwijdte, doelstellingen en achtergrond van het advies toegelicht. Daarbij wordt met name uitgelegd dat er binnen de limieten van het Groenboek moest worden gewerkt teneinde, zo constructief mogelijk, bij te dragen tot de voortdurende ontwikkeling van Europees beleid voor de lange termijn om ondernemerschap te stimuleren.

- In hoofdstuk 2 worden korte algemene opmerkingen gemaakt over het Groenboek, alvorens twee cruciale punten worden aangesneden: bevordering van ondernemerschap en creëren van een gunstig milieu voor de ondernemersactiviteit. Deze punten worden in de hoofdstukken 3 en 4 uitgebreid behandeld.

- In hoofdstuk 5 wordt aandacht besteed aan een aantal van de belangrijkste in het Groenboek behandelde onderwerpen, te weten:

- de vraag of onderscheid moet worden gemaakt tussen verschillende soorten ondernemerschap;

- de vraag of iedereen geschikt is om ondernemer te zijn;

- de bijdrage van ondernemerschap tot de samenleving;

- factoren die ondernemers motiveren;

- de vraag of het VS-model geschikt is voor Europa;

- de impact van ondernemers op de samenleving.

- In hoofdstuk 6 worden een aantal beleidsprioriteiten geformuleerd om ondernemerschap aan te moedigen en concrete aanbevelingen gedaan ten behoeve van de follow-up van het Groenboek.

- In hoofdstuk 7 worden korte antwoorden gegeven op de 10 door de Commissie in het Groenboek gestelde vragen; in hoofdstuk 8 worden de conclusies geformuleerd.

1. Inleiding

1.1. Het Comité wil met dit advies bijdragen tot begrip voor en stimulering van ondernemerschap. In de agenda van Lissabon en het daaropvolgende Europees handvest voor kleine ondernemingen werd het belang van ondernemerschap voor duurzame ontwikkeling in Europa benadrukt, alsook de noodzaak om tot stimulerende randvoorwaarden voor het bedrijfsleven te komen.

1.2. Ondernemerschap is een alomvattend cultureel concept dat vooral op een bepaalde mentaliteit steunt en op talloze wijzen tot uiting komt. In het advies wordt vooral ingegaan op de economische aspecten van ondernemerschap, zoals het leiden van een bedrijf, en factoren die mensen daarbij stimuleren.

1.3. Onderhavig advies beperkt zich tot de in het Groenboek behandelde onderwerpen, de context ervan en de door de Commissie aangegeven agenda. De door de Commissie aangesneden punten zullen worden uitgewerkt en daarmee wil het Comité een positieve bijdrage leveren met aanbevelingen betreffende het Actieplan (AP), waarom het staatshoofd en de regeringsleiders ten behoeve van hun voorjaarsbijeenkomst (2003) hebben verzocht.

2. Algemene opmerkingen

2.1. Het Comité is ingenomen met het Groenboek en complimenteert de Commissie met dit uitstekende document dat een uitermate nuttige inventarisatie bevat van de belangrijkste uitdagingen waarmee de huidige en toekomstige Europese ondernemers worden geconfronteerd. Er wordt namelijk op uitstekende wijze beschreven waarom de ondernemersactiviteit in Europa lager ligt dan elders.

2.2. Met het Groenboek wordt een levendig debat binnen bedrijfsleven en beleidskringen aangezwengeld en alleen al daarom moet het worden beschouwd als een succesvol initiatief. Het zal echter uitsluitend een duurzame impact hebben als de Commissie erop voortbouwt met een ambitieus en vergaand plan voor concrete maatregelen en ervoor zorgt dat deze ten uitvoer worden gelegd door de beleidsmakers en stakeholders op lokaal, regionaal, nationaal en EU-niveau.

2.2.1. Daarnaast vestigt het Comité er de aandacht op dat het cruciaal is dat beleid op basis van de behoeften van de ondernemers wordt ontworpen. Dit betekent dat de standpunten van het MKB vanaf het eerste stadium van de besluitvorming en op alle niveaus van de beleidsvorming bij monde van zo veel mogelijk organisaties die het bedrijfsleven vertegenwoordigen naar voren moeten worden gebracht.

2.2.2. Het Comité meent dat een beleid ten gunste van het ondernemerschap, bedoeld om de ondernemingscultuur onder ieders aandacht te brengen, onderscheiden moet worden van bedrijfsondersteunend beleid dat gepaard gaat met een reeks wetgevende en operationele maatregelen tot verlichting van de lasten en stimulering van de ontwikkeling. Het beveelt aan, het AP in twee onderling sterk uiteenlopende gedeelten op te splitsen:

- Bevordering van de ondernemersgeest: dit onderdeel moet betrekking hebben op de ontwikkeling van een cultuur van ondernemerschap, het herstel en de verbetering van de reputatie van de ondernemer bij potentiële ondernemers, op scholen, universiteiten en in familiekring, binnen openbare en particuliere diensten, met name financiële instellingen en binnen de Europese en de nationale overheden;

- Creëren van een gunstig milieu voor de ondernemersactiviteit: dit betreft het opstellen van een programma met acties die het ondernemen moeten stimuleren, in reactie op de tien vragen in het Groenboek.

3. Bevordering van de ondernemersgeest

3.1. Zoals in het Groenboek wordt opgemerkt, is ondernemerschap een mentaliteit die niet kan worden aangeleerd maar wel kan worden gestimuleerd. Een combinatie van een afgeronde opleiding en ervaring op jonge leeftijd met ondernemerschap kunnen kinderen en jeugdigen ertoe aanzetten meer als ondernemer te denken en te handelen en ten slotte deze carrièreoptie te overwegen.

3.2. In het AP moet zorgvuldig aandacht worden besteed aan het introduceren van het concept van ondernemerschap bij schoolgaande kinderen, zowel meisjes als jongens. Deze jaren zijn belangrijk voor de maatschappelijke vorming van de potentiële ondernemers van de toekomst. Een eigen bedrijf werd lang beschouwd als de weg naar werk en sociale mobiliteit voor mensen die anders slechts beperkte mogelijkheden op de arbeidsmarkt zouden hebben gehad (bijv. personen met een lagere academische opleiding en economische migranten). Geleidelijk komen er echter signalen uit samenleving en arbeidsmarkt dat een eigen bedrijf iedereen mogelijkheden kan bieden. In het AP moet dan ook worden gekeken hoe ondernemerschap op alle opleidingsniveaus aan de mensen kan worden gepresenteerd als een positieve optie en niet als een alternatief voor beperkte kansen op de arbeidsmarkt.

3.3. Het aanprijzen van ondernemerschap is een belangrijke manier om het imago van ondernemers in Europa op te vijzelen. Het valt echter bepaald niet mee om de houding van de mensen ten aanzien van het ondernemerschap te veranderen. Daarnaast is dat een lange-termijnproces. Rolmodellen en het vestigen van de aandacht op de voordelen van het ondernemerschap kunnen behulpzaam zijn, maar op lange termijn zijn praktische maatregelen ten behoeve van het juiste ondernemersklimaat efficiënter en daar moet de aandacht van de beleidsmakers zich op richten.

3.3.1. Het Comité stelt vast dat in de aan universiteiten, openbare en particuliere hogescholen onderwezen vakken bijna uitsluitend aandacht wordt besteed aan het model van grote ondernemingen hetgeen ten koste gaat van de aandacht voor kleine ondernemingen. Tegenwoordig denkt men bij het woord "onderneming" in de eerste plaats aan kapitalisatie en beurswaarde. Meer begrip van kleine en micro-ondernemingen vergt echter behalve de gebruikelijke aandacht voor het financiële ook inzicht in de verschillende maatschappelijke aspecten van de ondernemingscultuur.

Het Comité wil dat er economisch en wetenschappelijk onderzoek wordt verricht naar modellen die specifiek voor kleine ondernemingen zijn. Op die manier kunnen de voor het AP geplande stimuleringscampagnes ook de realiteit van het ondernemen in menselijk opzicht uitdragen en daarmee het imago van de kleine ondernemer verbeteren, waardoor de menselijke schaal aan bod komt en hun bedrijfsleiders positief in beeld komen; de mensen moeten worden doordrongen van het besef dat de micro-onderneming belangrijk is en tevens een symbool vormt van succes in het beroep, zowel voor de bedrijfsleiding als voor het personeel.

3.4. Alvorens ondernemerschap aan te prijzen moet in het AP worden uitgelegd wat een onderneming is en wat er bij komt kijken om deze te beheren. Bedrijfsbeheer impliceert het combineren van een reeks hulpbronnen, waaronder menselijke, financiële en fysieke (gebouwen en installaties) om goederen en diensten voort te brengen waarnaar op de markt vraag bestaat. Een bedrijfseigenaar moet relaties onderhouden met leveranciers, personeel, klanten en externe stakeholders, inclusief representatieve organisaties en overheidsinstanties. Daarbij dienen zij hun eigen motivatie en die van hun personeel op peil te houden. Slechts uitleg van deze taken en processen kan bijdragen tot de grondslag voor het aanprijzen van ondernemerschap.

3.5. Bevordering van de ondernemerschapscultuur zal waarschijnlijk inspanningen vergen van vele soorten publieke en particuliere organisaties. Het is van belang dat bij de activiteiten en in het beleid van alle publieke instellingen ondernemerschap wordt erkend. Hierbij moet o.m. worden gedacht aan de Commissie en de nationale, regionale en lokale overheden. De functionarissen van deze instellingen, en ook politici, dienen meer begrip te krijgen voor de aard van het ondernemerschap en het concept onderneming. Hetzelfde geldt voor de talloze andere particuliere en openbare instanties die beleid initiëren, controleren of uitvoeren dat gevolgen heeft voor bestaande of toekomstige zelfstandigen met een eigen bedrijf.

3.6. Verder is de rol van intermediairs cruciaal voor de bevordering van een ondernemerscultuur. Veel ondernemersorganisaties zijn zonder meer bereid om nauwer met de beleidsmakers samen te werken en beschikken over veel meer kanalen dan de overheidsinstanties in kwestie om hun leden met ondersteunende initiatieven te bereiken.

3.7. De media spelen een sleutelrol bij het in beeld brengen van de ondernemersgeest en vorming van begrip van de manier waarop ondernemen functioneert. De neiging bestaat echter om teveel aandacht te besteden aan grote ondernemingen en multinationals. Het AP moet strategieën bevatten om de rol van de ondernemer meer in de schijnwerpers te zetten en dus het imago van kleine en micro-ondernemingen, gespecialiseerde beroepen en traditionele en ambachtelijke activiteiten te verbeteren.

4. Creëren van een gunstig milieu voor de ondernemersactiviteit

4.1. Binnen het MKB bestaat een zekere teleurstelling over het door de EU geïnitieerde beleid ter ondersteuning van ondernemers. Over het algemeen vindt men dat de EU-instellingen het MKB het best kunnen helpen door op bepaalde gebieden minder te doen. De sector beschouwt de Unie als een bron van dure regelgeving en heeft moeite om EU-maatregelen ter bevordering van het hebben van een eigen bedrijf naar waarde te schatten.

4.2. Het is duidelijk dat er meer kan worden gedaan om ondernemerschap te stimuleren. Daartoe dient evenwel meer dan voorheen voor een "bottom up"-aanpak te worden gekozen, waarbij maatregelen stoelen op praktijkervaring van en samenwerking met ondernemingen en hun stakeholders. Dat is beter dan van bovenaf initiatieven, beleid en regelgeving op te leggen ("top-down").

4.3. Gegeven de toename van op het bedrijfsleven gerichte initiatieven op Europees niveau en de bovengenoemde teleurstelling van het MKB is het van het grootste belang dat het AP duidelijk aansluit bij voorgaande en huidige maatregelen. Met name dient de lijn van het Europees handvest voor kleine ondernemingen te worden doorgetrokken. Het AP moet daarop een aanvulling vormen en aanbevelingen bevatten voor de uitvoering van de 10 maatregelenclusters van het handvest(1).

5. De belangrijkste elementen van het Groenboek

5.1. De discussie over de definitie van ondernemerschap zal nooit een einde kennen en ook valt er geen onderscheid tussen goed en fout te maken. De definitie van afdeling II.A.iii (blz. 6) en de algemene toonzetting van het Groenboek zijn echter niet of nauwelijks gericht op wat genoemd zou kunnen worden het "standaard-ondernemerschap". Niet alle ondernemers weten risico's, creativiteit en/of innovatie met degelijk management te combineren, terwijl in de definitie van het Groenboek daar wel impliciet van wordt uitgegaan. Verder dient iedere definitie van ondernemerschap het concept van beloning te herbergen en te onderkennen dat ondernemers door allerlei soorten beloningen en prikkels worden gemotiveerd.

5.2. Er bestaan veel meer voorbeelden van ondernemers die naar stabiliteit en overleving streven dan van het soort waarop het Groenboek is gecentreerd. Kleine en middelgrote bedrijven worden geleid door mensen met uiteenlopende ambities voor hun ondernemingen, uiteenlopende talenten en managementvaardigheden. Voorts zijn die bedrijven gevestigd in soms welvarende en soms achtergebleven gebieden en functioneren zij in uiteenlopende industriële sectoren, soms traditionele, soms geavanceerde. De follow-up op het document moet geen dwingende opsomming van de kenmerken van ondernemerschap bevatten, maar aandacht hebben voor alle typen van ondernemerschap, ongeacht de aard van het bedrijf of de lokale en sectorale context.

5.3. Men dient goed te beseften dat ondernemerschap geen oplossing biedt voor alle maatschappelijke problemen en dat niet iedereen potentieel een succesvol ondernemer is. Daaraan moet in de follow-up op het document worden herinnerd. Bijgevolg dient het AP te zijn gericht op identificatie, stimulering en ondersteuning van personen die een succesvol ondernemer willen worden en mag niet worden getracht om mensen tegen beter weten in ervan te overtuigen die weg te bewandelen of werknemers en werklozen de status van zelfstandige op te dringen.

5.4. Uit de door de Commissie gebruikte statistieken mag worden afgeleid dat de arbeidsvoldoening bij ondernemers groter is dan bij werknemers. Een stijgend aantal zelfstandigen brengt echter nieuwe uitdagingen voor de Europese samenleving met zich mee. Zelfstandigheid kan problemen voor het individu opleveren en is, evenals ondernemerschap, niet de juiste keuze voor iedereen. Deze aangelegenheden moeten worden uitgediept in het AP.

5.5. In afdeling II.B.iii van het Groenboek wordt terecht benadrukt dat mensen om allerlei redenen ondernemer worden en dat het daarbij niet altijd in de eerste plaats om financieel gewin te doen is. Tot andere prikkels behoren zelfstandigheid, arbeidsvoldoening, gebruik van persoonlijke vaardigheden en de mogelijkheid om werk en privéleven naar eigen voorkeur in te delen. Hoewel belastingverlaging een voor de hand liggende manier vormt om de ondernemingsinkomsten te verhogen, moet dus ook worden gekeken naar het belang van zelfverwezenlijking bij het tegen elkaar afwegen van risico en beloning.

5.6. Het ontwikkelen van één enkel "ondernemerschapsmodel" impliceert dat beleidsmakers streven naar een uniforme en prescriptieve Europese kijk op ondernemerschap. Dat zal waarschijnlijk de over het algemeen onder mkb's levende gedachte versterken dat beleidsmakers weinig inzicht hebben in de diversiteit en realiteit van ondernemen.

5.7. In deel C van het Groenboek wordt gekeken naar de leemten en het potentieel op het gebied van ondernemerschap in de EU en wordt door de gebruikte gegevens indirect een fundamentele vraag opgeworpen: moet Europa, wat de stimulering van ondernemerschap betreft, opschuiven in de richting van de VS? Uit de gegevens blijkt namelijk dat in vergelijking met de VS minder Europeanen een eigen bedrijf beginnen en meer mensen de status van werknemer boven die van zelfstandige verkiezen. Veel waarnemers zijn van mening dat deze voorkeur vooral een uitvloeisel is van het Europees sociaal model. Bij de follow-up op het Groenboek moet worden gekeken of a) de gegevens op zich toereikend zijn voor een vergelijking tussen de lidstaten en met de rest van de wereld, naar b) de gevolgen van deze voorkeur voor de werknemerstatus, en of c) deze situatie direct voortvloeit uit gebrek aan ondernemersdynamiek in Europa, en d) de aangedragen oplossingen aanvaardbaar zijn voor de Europese samenleving.

5.7.1. Het Comité pleit voor uitwerking, verzameling en gebruik van meer systematische, uit benchmarking op Europees niveau voortkomende gegevens over kleine ondernemingen, waarbij gemeenschappelijke definities moeten worden gehanteerd(2). Op die manier zal de vergelijking van de ondernemersactiviteit in Europa gedurende bepaalde periodes, tussen lidstaten en regio's, worden vergemakkelijkt en wordt de beleidsvorming van een degelijke basis voorzien.

5.8. Het Comité is van mening dat men zich bij het nastreven van meer ondernemersdynamiek op de kwaliteit van ondernemers en niet op de hoeveelheid moet richten. Meer mensen stimuleren om zelfstandig te worden of zelfs mee te doen aan het opstarten van ondernemingen betekent niet noodzakelijkerwijs meer succesvolle en duurzame ondernemersactiviteiten. Ook moet aandacht worden besteed aan het "verdringingseffect" van een al te robuust beleid ten behoeve van starters op bestaande ondernemingen, en in het AP moeten meer opties worden geformuleerd voor bestaande ondernemingen.

5.9. Alle ondernemingen hebben bedoeld dan wel onbedoeld zowel positieve als negatieve effecten op de samenleving. Gegeven de tijdens de Europese Raad van Lissabon (2000) geformuleerde standpunten inzake de economische ontwikkeling van Europa en de centrale rol die mkb's in dat proces spelen, moet er in de follow-up op het Groenboek uitgebreider worden ingegaan op de maatschappelijke bijdrage van ondernemers (afdeling II B. iv). Het is best mogelijk dat veel mkb's verantwoord ondernemen terwijl er evenveel zijn die dat niet doen. Voorts dient er een niet-wetgevende aanpak te worden gevonden om verantwoord ondernemerschap te stimuleren.

6. Beleidsprioriteiten voor het stimuleren van ondernemerschap

6.1. De impact van beleid op ondernemerschap is complex en valt moeilijk nauwkeurig te meten. De opmerking van de Commissie "Het beleid kan ertoe bijdragen om het ondernemerschapsniveau op te trekken" gaat echter zeker op en is van toepassing op beleidsvorming op alle niveaus.

6.1.1. Het Comité is het ermee eens dat de beleidsprioriteiten voor het stimuleren van ondernemerschap variëren in het licht van de perspectieven van de verschillende stakeholders. De Commissie benadrukt in haar Europese werkgelegenheidsstrategie dat de belangrijkste bijdrage van ondernemers tot concurrentievermogen, groei en het creëren van duurzame, kwalitatief hoogwaardige banen gebaseerd is op een brede beleidsmix die is samengesteld uit een aantal elementen die ook het Comité als cruciaal beschouwt: een beter regelgevings- en administratief kader, toegang tot gekwalificeerde arbeidskrachten, stimulering van een positievere houding jegens ondernemerschap en managementvaardigheden, mogelijkheden voor financiële ondersteuning, goed functionerende goederen- en arbeidsmarkten en gunstige voorwaarden voor onderzoek en innovatie(3). De Commissie wordt verzocht om het AP nauw op de Europese werkgelegenheidsstrategie te doen aansluiten.

6.1.2. Daarnaast wijst het Comité op het belang van macro-economische stabiliteit voor de stimulering van ondernemersactiviteit.

6.1.3. Verder moet bij het ontwerpen van stimuleringsbeleid in het AP een evenwicht worden gevonden tussen de vaak rivaliserende belangen van stakeholders.

6.2. Betere beleidsvorming

6.2.1. Zoals duidelijk blijkt uit bovenstaande verwijzing naar de Europese werkgelegenheidsstrategie moeten beleidsopties voor de ondersteuning van kleine ondernemingen niet restrictief worden aangemerkt als "ondernemingsbeleid". Zij dienen horizontaal te worden ingebed in alle relevante beleidsterreinen (werkgelegenheid, belastingen, milieu, onderwijs, enz.) en verticaal op alle beleidvormingsniveaus, zodat veel meer ambtenaren en politici dan momenteel op de meeste bestuurs- en politieke niveaus in Europa het geval is rekening zullen houden met de behoeften van bestaande en toekomstige ondernemers.

6.2.2. Zo vormt regionaal beleid een belangrijk instrument waarmee ondernemingsbeleid ten uitvoer kan worden gelegd. De Commissie wordt dan ook verzocht om de aanbevelingen van het Handvest voor het kleinbedrijf op te nemen in de operationele prioriteiten van de toekomstige structuurfondsen en het toekomstige cohesiebeleid.

6.2.3. Het Comité is van mening dat een efficiënt, terzake doend en uitvoerbaar ondernemingsbeleid zich dient uit te strekken tot alle betrokken publieke en particuliere instellingen en instanties. De inschakeling van nationale, regionale en lokale instellingen vormen een eerste voorwaarde voor doeltreffende ontwikkeling en tenuitvoerlegging van beleid. Zo kunnen wijzigingen in belastingstelsels niet op Europees niveau worden verwezenlijkt, maar is daarvoor de medewerking van de lidstaten noodzakelijk.

6.2.4. Ten behoeve van de efficiëntie van het beleid moet in het AP duidelijk worden aangegeven op welk niveau beleid zal worden ontwikkeld, uitgevoerd, gecontroleerd en geëvalueerd. Zo kan de bevordering van ondernemerschap op school op Europees niveau worden aangeprezen, maar de desbetreffende maatregelen kunnen uitsluitend ten uitvoer worden gelegd in samenwerking met de lokale instanties, met name onderwijsautoriteiten. Met deze geïntegreerde aanpak kan worden gezorgd voor efficiënte beleidsuitvoering en kunnen onhaalbare initiatieven worden teruggedrongen.

6.2.5. Het loslaten van een beperkte opvatting van ondernemingsbeleid op EU-niveau betekent niet dat de rol van het DG-Ondernemingen van de Commissie wordt verzwakt. Integendeel, deze dient zelfs te worden verzwaard door een speciale MKB-afdeling op te richten die haar invloed binnen de diensten van de Commissie versterkt. Wel moet in het AP mede worden aangegeven hoe de rol van genoemd DG kan worden versterkt om haar invloed binnen de Commissie nog verder uit te breiden. De vraag luidt hoe dit DG de MKB-organisaties systematisch bij de besluitvorming kan betrekken, en wel in een tijdig stadium, zodat deze organisaties constructief tot de beleidsvorming kunnen bijdragen.

6.2.6. Er bestaat soms een flinke kloof tussen ondernemers en beleidsmakers. Deze kan worden gedicht door in de voorbereidende fasen intermediaire organisaties en vertegenwoordigende organen te raadplegen over alle relevante beleidsinitiatieven. Op die manier kan het MKB het beleidsvormingsproces gemakkelijker aanvaarden, de resultaten ervan beïnvloeden en meer waardering voor de inspanningen van de beleidsmakers opbrengen.

6.2.7. Het Comité heeft in het verleden veel waardevol werk verricht op het gebied van verbetering en vereenvoudiging van de regelgeving, recentelijk nog in zijn advies over vereenvoudiging(4). Op dit gebied moeten voortdurend verbeteringen worden aangebracht om het beleid ondernemersvriendelijker te maken en tegelijkertijd rekening te houden met de perspectieven en belangen van andere stakeholders. Ook dient er meer te worden gedaan om de ondernemers in een eerder stadium direct bij de besluitvorming te betrekken. Verder moeten er grondige effectbeoordelingen worden uitgevoerd die zijn gebaseerd op brede consultaties en waarbij systematisch oog bestaat voor alternatieve oplossingen, en in geval van voorstellen voor regelgeving moet worden uitgelegd waarom geen andere oplossing is gekozen.

Los van het bovenstaande bestaan er uiteraard talloze meer specifieke vormen van beleid waarmee ondernemers kunnen worden ondersteund en aan een aantal daarvan wordt in het volgende hoofdstuk specifiek aandacht geschonken.

6.3. Potentiële ondernemers opleiden

6.3.1. Het Comité wijst er nogmaals of dat kinderen reeds op vroege leeftijd aan de hand van positieve voorbeelden met het concept ondernemerschap vertrouwd moeten worden gemaakt. Daarnaast dient op scholen en aan instellingen voor hoger onderwijs het onderricht in tal van vakken mede gericht te zijn op het ontwikkelen van ondernemersvaardigheden en moeten studenten in contact met ondernemers worden gebracht.

6.3.2. Het onderricht van de potentiële ondernemers dient echter niet uitsluitend op jongeren te zijn gericht. Ook moet worden beseft dat mensen op latere leeftijd voor het ondernemerschap kunnen kiezen.

6.4. Starters

6.4.1. De Commissie gaat in op de tijd die gemoeid is met het opstarten van een bedrijf, en beleidsmakers in heel Europa werken er de laatste tijd hard aan om deze periode te verkorten. De barrières op weg naar ondernemerschap vóór en na het startproces zijn echter veel belangrijker en de overdreven aandacht voor snelle en goedkope registratie van een bedrijf is dan ook misplaatst en kan zelfs een "create and destroy"-mentaliteit in de hand werken. Dit zou wel eens afbreuk kunnen doen aan het aan het oprichten van een onderneming voorafgaande proces van voldoende langdurig onderzoek, planning, capaciteitsopbouw en algemene evaluatie van het risico.

6.5. Bedrijfsondersteuning

6.5.1. Goede bedrijfsondersteuning kan zeker bijdragen tot succesvollere ondernemingen. Ondersteuning door staatsorganen voldoet misschien niet altijd, omdat de publieke sector voor sommige ondernemers nu eenmaal geen natuurlijke bron van advies is. Ondernemers die ondersteuning behoeven zullen zich eerst tot hun netwerk van vertrouwde adviseurs wenden. Aangetoond is dat dit in de eerste plaats bestaat uit andere ondernemers, verder hun normale adviseurs (accountants, banken, notarissen, enz.), sectorale en beroepsorganisaties en dan pas andere bronnen. Dit benadrukt de belangrijke rol die mentoren kunnen spelen bij de ondersteuning van ondernemers, en het beleid dient dan ook op de "natuurlijke" steunverleners te zijn gericht.

6.5.2. Voorts is het van belang dat het EU-beleid ter ondersteuning van het bedrijfsleven nauw is verbonden met nationale instellingen en beleid, zodat succesvolle en efficiënte ondersteuning kan worden geboden en de beoogde doelstellingen kunnen worden verwezenlijkt.

6.5.3. In het AP moet worden bekeken hoe ondernemers kunnen worden gestimuleerd om van bedrijfsondersteuning gebruik te maken.

6.5.4. Het AP moet maatregelen bevatten om ervoor te zorgen dat gedurende alle stadia (d.w.z. vóór, tijdens en na de oprichting van een onderneming) ondersteuning en advies kan worden geboden. Op die manier nemen de kansen op overleven en bloei alleen maar toe.

6.6. Stimulering van bekwaamheid en vaardigheden

6.6.1. Stimulering van bekwaamheid en vaardigheden is cruciaal voor het verhogen van de ondernemersdynamiek in Europa. De persoonlijke kwaliteiten van de ondernemer zijn doorslaggevend voor het succes van zijn bedrijf. Ondernemersdynamiek omvat naast de dagelijkse bedrijfsvoering ook elementen als innovatief vermogen en ondernemersvisie.

6.6.2. De kans op succesvol ondernemerschap wordt vergroot indien de ondernemer wordt bijgestaan door mentoren en andere sleutelpersonen die zijn vaardigheden aanvullen.

6.6.3. De bevordering van het leerlingwezen en van alternerend onderwijs en de aanmoediging van transnationale mobiliteit van leerlingen zijn belangrijke middelen om de ondernemingsgeest door te geven. Het Comité verlangt dat in het AP een door de Gemeenschap gefinancierd uitwisselingsprogramma wordt opgenomen voor leerlingen en ondernemers.

6.7. Informele opleiding

6.7.1. Men denkt vaak dat kleinere bedrijven hun werknemers onvoldoende opleiding bieden en dat bedrijfseigenaren zo nu en dan zelf de benodigde vaardigheden ontberen. Aangetoond is evenwel dat de beroepsopleiding in die sector voor zowel eigenaren als werknemers kan worden aangemerkt als adequaat, informeel en gericht op de specifieke inzetbaarheid van het individu. Een groot deel van dit soort opleidingen wordt niet erkend door de overheid en haar opleiders wanneer aard en duur van de desbetreffende opleidingsinspanning worden beoordeeld(5). Voorts zijn de opleidingsprogramma's van de overheid voor kleine bedrijven op kwalificaties gebaseerd, betekenen zij dat de mensen hun bedrijf moeten verlaten en zijn ze geformaliseerd. Daarom geven bedrijfseigenaren en hun werknemers er vaak de voorkeur aan om daaraan niet deel te nemen.

6.7.2. Bij het uitwerken van beleid ten behoeve van relevantere opleidingsprogramma's voor kleine bedrijven dient daarom in het AP ook rekening te worden gehouden met deze discrepantie tussen opleidingsfaciliteiten en de behoeften van het bedrijfsleven, met name wat inhoud en organisatie betreft. Wellicht kan de overheid bekijken hoe deze leemte kan worden opgevuld door meer aandacht te besteden aan de manier waarop ondernemers en hun personeel aan opleiding doen en misschien kan ook aan een flexibelere organisatie worden gewerkt. Voorts moeten ondernemers worden overtuigd van de voordelen van individuele opleiding voor hun personeelsleden en de impact hiervan op de bedrijfsprestaties.

6.8. Overdracht van ondernemingen en planning van de opvolging

6.8.1. Zorgvuldige planning van opvolging en vertrek van de bedrijfseigenaar zijn fundamenteel voor goed en duurzaam ondernemerschap. Daarom moeten er middelen komen om onderzoek te doen naar maatregelen die de "opvolgingscrisis" kunnen verzachten: momenteel zijn er voldoende bedrijven te koop maar heerst er een tekort aan kopers.

6.8.2. Wellicht kan via meer marktwerking ervoor worden gezorgd dat bedrijven transparanter kunnen worden overgedragen. Andere mogelijkheden zijn o.m. onderzoek naar de wettelijke en fiscale overdrachtsregelingen zonder dat de op EU-niveau reeds bestaande werknemersrechten in gevaar worden gebracht(6).

6.9. Toegang tot financiering

6.9.1. Uit onderzoek is gebleken dat kleine bedrijven hun aanvangs- en groeikapitaal uit eigen middelen financieren. Is dat niet het geval, dan doen zij meestal een beroep op banken. Financiering via aandelen, formeel en informeel risicokapitaal inbegrepen, heeft niet zo'n brede ingang gevonden als oorspronkelijk de bedoeling was en dat kan te wijten zijn aan tekortkomingen van de markt en de terughoudendheid van ondernemers om hun eigendom gedeeltelijk over te dragen. Over het algemeen kunnen ondernemers dankzij de huidige lage rentevoet in Europa relatief goedkoop lenen.

6.9.2. De onderzoeksresultaten betreffende financiering als obstakel voor ondernemingen variëren. Momenteel blijkt toegang tot financiering voor starten, doorstarten en groei een groot probleem te zijn voor bepaalde soorten economische activiteiten, voor ondernemingen in bepaalde gebieden en ondernemers met specifieke kenmerken. Met name moet iets worden gedaan aan de kloof van in sommige gevallen 1,5 miljoen EUR aan aandelenkapitaal.

6.9.3. De belangstelling voor de rol van microkredieten als middel om nieuwe bedrijven te stimuleren, is toegenomen. De betekenis van deze kredieten is in vergelijking met andere financieringsvormen voor het MKB nog gering. Gegevens wijzen er evenwel op dat dit middel zeer goed van pas kan komen voor specifieke soorten ondernemers en ondernemingen in achtergebleven regio's. "Microkrediet" kan significante gaten opvullen in de financiering van de activiteiten van micro-ondernemingen in de nieuwe lidstaten. In het AP moet worden bezien in hoeverre deze wijze van kredietverschaffing relevant is, wanneer het een efficiënt instrument kan zijn om (het streven naar) een eigen bedrijf te stimuleren en hoe het aantrekkelijk gemaakt kan worden.

6.9.4. Voorts moet in het AP het specifieke soort bedrijven dat financieringsproblemen ondervindt, gedetailleerder worden behandeld. De huidige financiële markten zijn namelijk ingewikkeld en onoverzichtelijk. Geprobeerd moet worden, bestaande financieringskanalen te schragen en verder moeten initiatieven ter financiering van ondernemers worden gebaseerd op bestaande intermediaire mechanismen in plaats van nieuwe structuren te creëren.

6.9.5. Het Comité is echter van mening dat de in het Groenboek geopperde oplossingen, zoals micro-kredieten en risico-kapitaal of "business angels" slechts ten dele tegemoet komen aan de behoeften van het kleinbedrijf. De Commissie moet nadenken over het uitwerken van beroepsgerichte en wederzijdse garantiefondsen waardoor de toegang tot krediet voor de ontwikkeling van een bedrijf wordt verbreed. Het Comité zou graag zien dat het Europese Investeringsfonds de leningsgaranties voor het MKB uitbreidt door ze meer af te stemmen op de behoeften van kleine en micro-ondernemingen en ambachtsbedrijven. Het denkt daarbij vooral aan investeringen die verband houden met standaardisatie, milieu en de aanschaf van productie- en communicatietechnologie.

6.10. Openbare aanbestedingen

6.10.1. Verbreding van de toegang van kleine ondernemingen tot aanbestedingen behoort tot de meest voor de hand liggende, efficiënte en directe maatregelen waarmee overheden ondernemers kunnen helpen. Op dezelfde wijze als kleine ondernemingen onderling een natuurlijke affiniteit voelen(7), blijkt echter dat overheden bij het gunnen van contracten zich eerder wenden tot grote ondernemingen omdat de bedrijfsvoering aldaar veel met de publieke sector gemeen heeft. Dit belangrijke cultuurverschil moet worden overwonnen om het kleinbedrijf toegang tot aanbestedingen te verschaffen.

6.10.2. Openstelling van aanbestedingen zou wel eens in veel uitdagingen kunnen resulteren. De gunningscriteria maken het moeilijk voor kleine ondernemingen om opdrachten te bemachtigen vanwege de omvang van de contracten, bundeling van verschillende soorten diensten in één overeenkomst en de bureaucratische inschrijfprocedures. Recente pogingen van overheden om opdrachten alleen te gunnen aan inschrijvers die een soort milieukenmerk kunnen overleggen, kunnen een verder obstakel vormen voor de verbreding van de toegang voor het kleinbedrijf. Deze kwestie moet in het AP worden uitgediept.

6.11. Fiscale lasten

6.11.1. Informele investeringen in ondernemingen zouden met behulp van geschiktere belastingregelingen vergaand kunnen worden gestimuleerd. Hierbij valt te denken aan fiscale prikkels om winsten weer te herinvesteren. Dit is een efficiënte manier om aan geld te komen en ook strookt dat met de investeringsvoorkeur van de bedrijfseigenaar. Verder wordt hierdoor versnippering van de eigendom van een bedrijf tegengegaan en wordt herinvestering een belangrijke prikkel voor bedrijfsgroei.

6.11.2. Mensen met een eigen bedrijf zullen altijd om lagere belastingen roepen, maar daarnaast zouden zij minder nalevingskosten stellig op prijs stellen. In het AP moet worden aanbevolen om onderzoek te doen naar verschillende manieren om ondernemers op fiscaal gebied ondersteuning te bieden(8).

6.11.3. Deze materie vormt een ander goed voorbeeld van de noodzaak, ondernemingsbeleid op Europees, nationaal en regionaal niveau in andere beleidsterreinen in te bedden.

6.12. Sociale bescherming voor zelfstandigen

6.12.1. Er dient zeer zorgvuldig te worden nagedacht over de kwestie van sociale bescherming voor zelfstandigen en er moet evenwicht komen tussen risico's en bescherming. Er bestaat geen voor de hand liggende contradictie wanneer om minder belastingen en meer sociale bescherming wordt gevraagd. Toch dient ervoor te worden gezorgd dat zelfstandigen en ondernemers op het gebied van de sociale bescherming niet worden gediscrimineerd.

6.13. Ondernemerschap en sociale uitsluiting

6.13.1. Ondernemerschap raakt alle geledingen van de samenleving en in het AP moet op deze diversiteit worden ingegaan. Met name de bedrijven van de sociale economie, daarbij inbegrepen coöperaties, onderlinge maatschappijen, stichtingen en verenigingen, ondernemen ook, maar dan wel met sociale doelstellingen.

6.13.2. Een eigen bedrijf kan voor groepen sociaal uitgeslotenen een manier zijn om de arbeidsmarkt te betreden. Hiernaar dient echter nog meer onderzoek te worden gedaan.

6.13.3. Het is van belang dat in het AP oog bestaat voor de verscheidenheid aan ondernemingen en de ervaringen die met bedrijven met sociale doelstellingen zijn opgedaan. Tevens dient in het AP gepleit te worden voor ondersteunende diensten ten behoeve van laatstgenoemde categorie.

6.14. "Spin-offs"

6.14.1. In het AP moet aandacht worden besteed aan het stimuleren van het opzetten van een eigen bedrijf met ondersteuning van universiteiten en instellingen van hoger onderwijs. Er bestaan in dit verband goede praktijkvoorbeelden in de Unie, maar er is nog veel onbenut potentieel. Er dient dus te worden gelet op de mogelijkheden voor dit soort bedrijven, de desbetreffende processen en eventuele beleidsopties.

6.15. Mislukking - een stigma

6.15.1. Het Comité is het met de Commissie eens dat er iets moet worden gedaan aan de negatieve tendens in Europa om een zelfstandige ondernemer van een failliete onderneming als "mislukt" te brandmerken. Vooral potentiële beleggers en financiële instellingen dienen positiever tegen dergelijke zakelijke ervaringen aan te kijken. Die vormen namelijk een belangrijke fase in het leerproces van een ondernemer en resulteren vaak in een succesvoller nieuw project.

6.16. Interne markt

6.16.1. De interne markt staat nog steeds ver van veel mkb's af en een hoog percentage van deze categorie ondernemingen zal nooit naar mogelijkheden buiten de lokale of nationale markt zoeken. Dat neemt niet weg dat een aantal kleinere bedrijven goede perspectieven hebben om hun goederen en diensten in andere lidstaten te verhandelen. Deze zouden daarbij met name kunnen worden ondersteund door de permanente uitbouw van een infrastructuur ten behoeve van het goederen-, personen- en informatieverkeer, alsook door het opvoeren van wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties.

6.17. EU-uitbreiding

6.17.1. Het Comité heeft al vaker opgemerkt dat het MKB een pijler van het overgangsproces vormt en in hoge mate bijdraagt tot het BBP en de werkgelegenheid in de nieuwe lidstaten. De sector ondervindt in deze landen veel te veel moeilijkheden in verband met toegang tot financiering, opleiding, ondersteuning en advies(9).

6.17.2. In het AP moet zeker worden gekeken naar de effecten van de uitbreiding op de mkb's in de 15 huidige en de nieuwe lidstaten. Ook dient te worden bezien hoe het bestaande beleid kan worden aangepast aan de uit de uitbreiding voortvloeiende toename van de diversiteit van de behoeften van kleine bedrijven.

6.17.3. Zoals opgemerkt, bestaan er in deze landen specifieke problemen met betrekking tot de toegang tot de juiste financieringsmodaliteiten en daarvoor zijn oplossingen geboden.

7. Korte antwoorden op de tien in het Groenboek gestelde vragen

7.1. In de vorige paragrafen is het Comité gedetailleerd op het Groenboek ingegaan. Sommige van de navolgende tien korte antwoorden op de in dat document gestelde vragen behoren echter, samen met suggesties voor gebieden waarop maatregelen moeten worden genomen, tot de belangrijkste boodschappen van dit advies.

1) Wat moeten de hoofddoelstellingen zijn voor een agenda voor ondernemerschap in de EU en hoe moeten deze aan andere politieke ambities worden gerelateerd? Hoe kunnen wij een model voor ondernemerschap in een uitgebreid Europa bouwen?

Een Europese aanpak om ondernemerschap te stimuleren dient te zijn gericht op methoden om door een gunstige risico/beloning-verhouding de beste randvoorwaarden voor het MKB te creëren. Daardoor zullen ook de belangrijkste bezwaren die mensen afhouden van het starten van een onderneming worden weggenomen.

In die aanpak dient oog te bestaan voor een breed scala aan hoofddoelstellingen, met name: een stabiele economie, een beter regelgevings- en administratief kader, bevordering van een positievere houding jegens ondernemerschap en managementvaardigheden, financiële ondersteuningsmogelijkheden, goed functionerende arbeidsmarkten en toegang tot gekwalificeerde arbeidskrachten, alsook gunstige randvoorwaarden voor onderzoek en innovatie.

Evenals bedrijven op veel maatschappelijke gebieden een impact hebben, houden deze doelstellingen nauw verband met verschillende beleidsterreinen en politieke ambities van de EU. Het is daarom cruciaal dat de standpunten van allerlei soorten stakeholders worden meegenomen bij de ontwikkeling van een Europese aanpak om meer ondernemersactiviteit te bevorderen.

2) Hoe kunnen wij de beschikbaarheid van financiële middelen verbeteren (fiscale maatregelen, publiek/private partnerschappen, sterkere balansen, garanties) en welke alternatieven voor bankleningen moeten worden bevorderd (financiering door business angels, leasing, factoring en microleningen van niet-bancaire leningverstrekkers)? Hoe kunnen ondernemers worden ondersteund bij het aantrekken van externe financiering?

Uit onderzoek zou blijken dat er in het huidige economische en financiële klimaat geen gebrek bestaat aan financieringsmogelijkheden voor kleine ondernemingen. Dit betekent evenwel niet dat die ondernemingen op de lange termijn geen financiële problemen kennen. Verbeteringen dienen op vier elementen te zijn gericht: continuïteit van de financieringsstromen (in alle ontwikkelingsstadia van een bedrijf), alternatieve financiële opties, transparante criteria voor ondernemingen die om financiële ondersteuning vragen en fiscale maatregelen om de bedrijfsontwikkeling en investeringen te bevorderen.

Een van de belangrijkste uitdagingen is dat ondernemers nogal terughoudend zijn om hun eigendom te versnipperen door uitgifte van aandelen, het aantrekken van risicokapitaal en andere externe financieringsbronnen. Wellicht kunnen informele investeringen in bedrijven worden bevorderd door een gunstiger fiscaal regime dat zowel efficiënt is als de voorkeur heeft van kleine ondernemers. Het is belangrijk dat zij die op zoek zijn naar externe financiering worden aangemoedigd om extern kapitaal te accepteren.

Oplossingen moeten worden toegesneden op verschillende lokale en regionale eisen. In dit verband liggen er met name unieke kansen voor bedrijven in sommige nieuwe lidstaten.

Overheden moeten bestaande succesvolle formele en informele oplossingen in kaart brengen en onderzoeken hoe deze kunnen worden uitgewerkt of gekopieerd.

3) Welke factoren belemmeren het meest de groei (gebrek aan) wederzijdse erkenning en EU-regels of de (niet-)uitvoering ervan op nationaal niveau, nationale fiscale voorschriften of de situatie op de arbeidsmarkten? Welke maatregelen zijn het best geschikt voor het ondersteunen van groei en internationalisering (handelsmissies, marktanalyses, cluster- en netwerkvorming, informatie- en adviesdiensten)?

Macro-economische instabiliteit, een negatieve houding jegens ondernemerschap, gebrekkig functionerende arbeidsmarkten en de lasten van excessieve en slecht geformuleerde regelgeving zijn de grootste belemmeringen.

De lokale, regionale, nationale en Europese overheden zouden direct kunnen bijdragen tot de groei van veel jongere, kleinere ondernemingen door hun meer toegang tot overheidsopdrachten te verschaffen. Zorgen voor geschoolde arbeidskrachten en voorzien in de aanwervingsbehoeften van het kleinbedrijf zijn prioriteiten op Europees niveau en de vereiste economische en andere beleidsmaatregelen moesten dan ook in het AP worden opgenomen.

4) Wil men komen tot ondernemingen van hoge kwaliteit, welke opleiding en ondersteuning moeten dan worden aangeboden voor startende bedrijven (basisopleiding - verplicht of vrijwillig, starterscentra, mentoring) en voor bedrijfsontwikkeling (netwerken, cursussen, mentoring, leren op afstand, b.v. e-learning)? Moeten diensten worden aangeboden die zijn afgestemd op de behoeften van specifieke groepen (vrouwen, etnische minderheden, werklozen of sociaal achtergestelde personen) of bedrijven (kennisgebaseerde activiteiten)? Moet de kwaliteit van de verstrekking van ondersteunende diensten worden verbeterd (door middel van ICT's, professionele normen)?

Er dienen meer ondersteunende maatregelen te komen om in te spelen op de diversiteit van de behoeften van ondernemers en hun bedrijven. Daartoe behoort dat de steun moet worden gesegmenteerd bijvoorbeeld per economische sector, de fase van de levenscyclus en de plaats van vestiging. Het Comité is zich bewust van de uitdaging om meer bestaande ondernemingen van de aangeboden steunmaatregelen te laten profiteren. De ondersteuning moet dan wel meer worden toegesneden op de behoeften van die bedrijven en op flexibelere wijze worden verleend.

Specifieke steun voor starters moet reeds in de conceptuele stadia worden verleend, maar ook daarna, d.w.z. gedurende de voorbereiding, de oprichting en de jongste groeifasen.

EU-, nationale, regionale en lokale initiatieven ten behoeve van ondersteuning dienen beter op elkaar te worden afgestemd.

5) Zijn de belemmeringen en stimulansen voor bedrijfsontwikkeling en -groei in de EU dezelfde als voor ondernemers in de kandidaat-lidstaten, en zijn er met het oog op de aanstaande uitbreiding specifieke maatregelen in de kandidaat-lidstaten nodig?

Het lijdt geen twijfel dat potentiële en bestaande ondernemers in de nieuwe lidstaten met specifieke problemen te maken hebben. Ontwikkeling van meer systematische uit benchmarking voortvloeiende gegevens over kleine ondernemingen zou in hoge mate bijdragen tot vergelijkende analyses van de prestaties en ervaringen van mkb's in de huidige en de nieuwe lidstaten en daarmee bijdragen tot de identificatie van gebieden waarop beleid moet worden ontwikkeld, uitgevoerd en geëvalueerd.

Het verdient aanbeveling dat beleidsmakers zich meer verdiepen in de ervaringen van ondernemers in de nieuwe lidstaten. Deze mensen hebben een bedrijf moeten opstarten en runnen in een politiek en economisch klimaat dat aan zeer snelle veranderingen onderhevig is. Zij kunnen daarom waardevolle informatie verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van een meer ondernemersvriendelijk klimaat in Europa.

6) Wat kunnen de EU-lidstaten doen om het evenwicht tussen risico en beloning gunstiger te maken voor de bevordering van ondernemerschap (de negatieve effecten van een faillissement verlichten, meer sociale zekerheid aanbieden voor ondernemers, de belastingdruk verminderen, door minder administratie of lagere tarieven)?

Ondernemen gaat altijd met risico's gepaard. Veel Europeanen achten de risico's in vergelijking met de eventuele beloning echter te hoog.

Overeenkomstig het Europees sociaal model moeten er maatregelen worden genomen om te voorkomen dat ondernemers qua sociale bescherming worden gediscrimineerd. Op die manier kan het besluit om zelfstandige dan wel werknemer te worden worden vergemakkelijkt. Een dergelijke verandering van status vormt momenteel een wezenlijke belemmering voor de uitoefening van het ondernemerschap.

Lagere vennootschapsbelastingtarieven belichamen hogere beloningen voor het ondernemerschap en zullen meer mensen ertoe aanzetten om ondernemer te worden. In het AP dient, hoewel financieel gewin uiteraard een belangrijk motief vormt, evenwel ook aandacht te worden geschonken aan andere soorten beloningen die de keuze voor het ondernemerschap motiveren.

7) Hoe kunnen meer potentiële ondernemers worden aangemoedigd om de overname van een bedrijf veeleer dan het starten van een nieuw bedrijf in overweging te nemen (databanken of markten van kopers en verkopers, speciale opleiding voor familiebedrijven, buy- outs door managers of werknemers)?

De regelingen betreffende bedrijfsovername moeten transparanter worden en er moet aan gewerkt worden om de overname van een onderneming meer ingang te doen vinden bij potentiële ondernemers als een efficiënte manier van zaken doen.

De Commissie heeft waardevol werk verricht door goede praktijkvoorbeelden van ondersteuning van overdrachten in kaart te brengen. Het Comité hoopt dat in het AP hierop wordt voortgebouwd en dat de lidstaten met haalbare initiatieven komen met betrekking tot de juridische en fiscale aspecten van bedrijfsoverdrachten.

Het is zaak dat er meer maatschappelijk begrip komt voor bedrijfssluitingen en de daarbij betrokken ondernemers. Er dienen dus meer gegevens te worden verzameld over de oorzaken van sluiting, de houding van de stakeholders jegens hen die tot sluiting hebben besloten en de behandeling van deze ondernemers door financiers, de wetgever en andere ondersteunende instellingen. In het AP moet dus worden gestreefd naar meer begrip voor de betrokkenen bij bedrijfssluitingen van de kant van de samenleving, de overheid en ondersteunende instellingen.

8) Hoe kunnen spin-offs aantrekkelijker worden gemaakt (management buy-outs, promotie, gespecialiseerd advies, fiscale of andere bepalingen voor werknemers en werkgevers tijdens het opstarten van een bedrijf)?

De huidige nationale benaderingen van spin-offs moeten nogmaals onder de loep worden genomen en ook moet worden gekeken naar de voordelen die uit dergelijke processen kunnen voortvloeien.

9) Hoe kan onderwijs de ontwikkeling van het bewustzijn en de vaardigheden ondersteunen die nodig zijn om een ondernemingsgerichte mentaliteit en ondernemersvaardigheden te ontwikkelen (ondernemerschapsopleiding als onderdeel van het leerprogramma van scholen, ondernemers voor de klas brengen, leerlingstelsels voor studenten zodat dezen samen met ervaren ondernemers kunnen werken, meer ondernemerschapsopleidingen aan universiteiten, meer MBA-programma's, ondernemerschapsopleiding combineren met onderzoeksprogramma's van de overheid)?

Zoals reeds opgemerkt, kan ondernemerschap niet worden aangeleerd maar wel worden gestimuleerd. Momenteel overwegen te weinig jongeren het opstarten en besturen van een eigen bedrijf als een realistische en aantrekkelijke carrièreoptie.

Er dienen dan ook meer jongeren reeds op vroege leeftijd met het concept van ondernemerschap in aanraking te worden gebracht. Ook dient er in de latere onderwijsfases meer aandacht aan ondernemerschap te worden geschonken. Dat moet in alle onderwijsdisciplines gebeuren en mag niet beperkt blijven tot ondernemersopleidingen.

Ook dienen mensen te worden gestimuleerd om op latere leeftijd voor het ondernemerschap te kiezen.

10) Wat kunnen bedrijfsorganisaties, de media en de overheid doen om ondernemerschap te bevorderen (rolmodellen, campagnes in de media, open dagen van ondernemingen, instellen van prijzen voor ondernemers) en op welk niveau (Europees, nationaal, regionaal of lokaal)?

De efficiëntste manier om ondernemerschap te promoten is ervoor te zorgen dat de verhouding tussen risico's en beloning gunstiger voor ondernemers wordt. Praktische maatregelen dienaangaande moeten dan ook een prioriteit voor de beleidsmakers vormen. Dit betekent dat zij meer begrip voor het zakendoen moeten krijgen, dat representatieve intermediaire organisaties in een vroeg stadium systematisch dienen te worden geraadpleegd en dat er tussen alle niveaus van het ondernemingsbeleid meer afstemming dient te komen.

Weliswaar kunnen rolmodellen, mediacampagnes en verbetering van het ondernemersprofiel soelaas brengen, maar dat neemt niet weg dat de representatieve en andere intermediaire organisaties over meer mogelijkheden dan de overheid beschikken om daarin te voorzien.

Ten slotte benadrukt het Comité dat ondernemerschap niet de juiste keuze voor iedereen is en dat promotiemaatregelen daarom op een mentaliteitsverandering bij de mensen moeten worden gericht en dat het niet de bedoeling is om zoveel mogelijk mensen aan te moedigen om zelf ondernemer te worden.

8. Slotopmerkingen

8.1. Het Comité is ingenomen met het Groenboek van de Commissie en de vaart die daarmee gezet wordt achter de discussie over het Europees ondernemingsbeleid onder ambtenaren, politici en stakeholders. Wil men dat dit proces blijvend vruchten afwerpt, dan is het essentieel dat een ambitieus, maar tegelijkertijd zorgvuldig gericht AP op efficiënte wijze ten uitvoer wordt gelegd.

8.2. Het is duidelijk dat verbetering van de verhouding tussen risico's en beloning voor ondernemers cruciaal is voor een uitbreiding van de ondernemingsactiviteit; dit moet de rode draad zijn die door het gehele AP loopt.

8.3. Het Comité onderstreept dat het overheidsbeleid nauwkeurig dient te worden afgestemd teneinde eerst de meest urgente kwesties aan te pakken om uiteindelijk alle doelstellingen te kunnen verwezenlijken. In het Groenboek wordt een groot aantal beleidsterreinen behandeld, maar in het AP dienen specifieke onderwerpen als prioritair te worden aangemerkt.

8.4. Het Comité wijst op de volgende sleutelgebieden die in het AP voorrang zouden moeten krijgen:

- verbetering van de toegang van het MKB tot overheidsopdrachten;

- herziening van de fiscale regelingen voor het MKB in Europa, evaluatie van de belastingtarieven, de wijze van belastingheffing en -inning;

- meer begrip voor het proces van bedrijfssluitingen en het maatschappelijk stigma dat betrokken ondernemers krijgen opgeplakt;

- maatregelen om de ondernemersgeest te bevorderen en meer mensen van alle leeftijden en uit alle geledingen van de maatschappij met ondernemerszin aan te moedigen, hun potentieel te realiseren;

- ontwikkeling van meer systematische benchmarking van gegevens inzake het MKB teneinde vergelijkingen te vergemakkelijken en beter beleid te kunnen uitwerken.

8.5. Een beter ondernemingsbeleid zal alleen maar een positieve impact hebben indien het op efficiënte wijze ten uitvoer wordt gelegd. Het Comité dringt er daarom op aan dat voor elk van de in het Actieplan opgesomde prioriteiten ook een strategie voor de implementatie wordt uitgewerkt. Iedere strategie dient beleidsdoelstellingen en een tijdpad te bevatten. Het belangrijkste is echter dat daarbij duidelijk wordt aangegeven welk bestuursniveau voor de uitvoering verantwoordelijk is: het Europese, nationale, regionale of lokale niveau.

8.6. Het Comité heeft er vaak op gewezen dat raadpleging van de representatieve ondernemersorganisaties op verschillende niveaus, inclusief, overeenkomstig de tiende aanbeveling van het Handvest, die van het kleinbedrijf, de enige weg is om Europese maatregelen te laten sporen met de verschillende typen ondernemingen en om deze uit te voeren; om het AP en de daarmee gepaard gaande operationele maatregelen te laten slagen, verlangt het dat de organisaties die de kleine ondernemingen vertegenwoordigen rechtstreeks betrokken worden bij uitwerking en uitvoering van het actieplan.

8.7. Het Comité stelt vast dat er zowel op nationaal als EU-niveau daadwerkelijk vooruitgang is geboekt met de tenuitvoerlegging van het Europees Handvest voor het klienbedrijf, maar dat het nog weinig impact heeft gehad. Het Comité en het Parlement hebben verzocht het Handvest rechtskracht toe te kennen, daar het anders een loze politieke intentieverklaring blijft zonder een hecht, stabiel en op een breed draagvlak stoelend kader. Het Comité heeft in zijn adviezen herhaaldelijk geconstateerd dat de Commissie het Handvest meestal aanhaalt als rechtvaardiging voor acties die al gepland zijn voor ondernemingen in het algemeen en niet voor kleine ondernemingen in het bijzonder.

8.8. Het doet het Comité deugd dat tijdens de voorjaarsbijeenkomst en de recente Raden Concurrentievermogen tot een betere toepassing van het Handvest is opgeroepen. Het verzoekt de Raad de tenuitvoerlegging te verbeteren door een officieel besluit te nemen waarbij wordt bepaald dat:

- de Commissie geen enkele wettekst of andere tekst van regelgevende aard die gevolgen heeft voor de activiteit van kleine ondernemingen kan voorleggen zonder voorafgaande raadpleging van of onderhandelingen met de organisaties van het kleinbedrijf,

- effectbeoordelingen van de Commissie betreffende beleidsinitiatieven met potentiële gevolgen voor het MKB een specifieke analyse aangaande kleine en micro-ondernemingen dienen te bevatten,

- in alle communautaire programma's die eventueel ook voor kleine ondernemingen bedoeld zijn, specifieke maatregelen worden opgenomen ten gunste van genoemde bedrijven, overeenkomstig het Handvest.

8.9. Het Comité betreurt het in de voorstellen van de Conventie met geen enkel woord wordt gerept over ondernemingen, ondernemers en ondernemersgeest. Het verzoekt de Intergouvernementele Conferentie dit beleidsonderwerp op te nemen en zou graag zien dat in de toekomstige Europese grondwet verwezen wordt naar de onderneming en de kleine onderneming, en niet alleen naar het bedrijfsleven in het algemeen. Tot slot roept het de lidstaten ertoe op, tijdens de IGC voor deze kwestie op de bres te staan.

Brussel, 24 september 2003.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

R. Briesch

(1) In zijn initiatiefadvies over het Europees Handvest voor het kleinbedrijf riep het EESC de Commissie op tot "het opstellen van een echt operationeel meerjarenactieplan met daarin op EU-niveau en in de lidstaten te nemen maatregelen ten behoeve van een adequate en efficiënte tenuitvoerlegging van het Handvest." (PB C 48 van 21.2.2002)

(2) Zie de in mei 2003 herziene Commissiedefinities van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen, die vanaf 1 januari 2005 zullen worden gebruikt (COM(2003) 1422 def).

(3) Zie COM(2003) 176 def.

(4) PB C 133 van 6.6.2003.

(5) Zie bijvoorbeeld Kitching J. and Blackburn R. (2003) "Measuring Training in Small Firms", Small Business Council, Londen, maart.

(6) Commissie (mei 2002), eindverslag van de deskundigengroep inzake de overdracht van mkb's.

(7) Het Comité is het niet eens met de opmerking in afdeling III.B.vi van het Groenboek dat "het normaal (is) dat ondernemingen van alle grootten samenwerken tot wederzijds profijt."

(8) Hierbij kan worden gekeken naar het Belgische voorbeeld van intermediairs die de administratie van de loonbelasting en de sociale zekerheid van werknemers beheren.

(9) PB C 193 van 10.7.2001: advies over de "Werkgelegenheid en sociale situatie in de LMOE".

  翻译: